zondag 11 december 2011

Ferenc Bekassy, Hongarije (1893-1915)

Ferenc Bekassy wordt geboren op 7 april 1893 te Zsennye in het westen van Hongarije. In 1905 wordt hij naar Engeland gestuurd, alwaar hij zijn middelbare onderwijs doorloopt op een kostschool in Hampshire (Bedales)

In 1911 vertrekt hij naar Cambridge om geschiedenis te gaan studeren aan King's College. Aldaar raakt hij bevriend met onder andere James Strachey, E L Grant Watson en John Maynard Keynes, en heeft hij net als Rupert Brooke zijn oog laten vallen op Noël Olivier, die hij nog kende van Bedales.

Hij schreef zowel gedichten in het hongaars als in het engels. Enkele van zijn engelse gedichten verschijnen in de Cambridge anthologie in 1912. De Hongaarse gedichten werden enkel postuum gepubliceerd.

Bij het uitbreken van de oorlog keert hij terug naar Hongarije om zich aan te melden voor het leger en dient in een huzaren eenheid. Vier dagen na aankomst aan het Oostfront sneuvelt hij nabij Dubrovouc op 22 juni 1915. Zijn lichaam werd teruggebracht naar het landgoed van zijn ouders, alwaar hij begraven werd.

Een selectie van zijn engelse gedichten werd in 1925 samengesteld door F L Lucas onder de titel : Ferenc Bekassy : Adriatica and other poems, a selection.

bron: Wikipedia


GIVE me but the boat, I say,
Sorrow never follows ;
Fare you well ! I shall not stay :
Winter's in the hollows.

Where the wastes stretch far away,
Blurred with rain, and blending,

Or to-morrow or to-day

Love shall have an ending.

There the swans dash through the wave,

On the water swinging ;
I shall make my scallop rave

With the tempest springing.

I shall come before the snow ;

I shall come a-courting
To the hazy depths below.

Shadows at their sporting.

When the snow before the rout
Drifts against my sail,

I shall turn my boat about
Straight across the gale !


Over endless waters wind,
Chase the fast stream faster ;

All but love is left behind :
Death shall prove the master!

Now the sparrows cease their cry;

Silence stands appalling. —
Still and far and deep I'll lie,

Where the snow is falling.



1. Waters.

LARCHES all green and chestnuts hardly white.
Rough grass, and clumpy marigolds I see
Within the water : but how changed quite !
A world begins, where tree doth grow from tree.

What dusky Earths, what Fires at all compare
With thee, what Air, what Shadows lightly wrought,
Thou living Water! Settled softly there.
Proud with the proud reality of Thought.

2. Clouds.

YEA, very swiftly do they veer, and fly ;
Their shadow dapples the abundant vale.
And in a while no cloud is on the sky.
Their forms are fanciful, of texture frail :

And now like hounds in great pursuit they seem !
— Their prey will vanish in the opening mom.
Only a little while the trappings gleam,
And for a little space doth sound a horn.

3. Winds.

A -TIPTOE up and down and all about
What folly prompts you, wind, from room to
room ?
Leave now the creaking staircases ; go out :
Make sturdy movement all across the broom

And in the heather-bells; or in a mead
Stiffen the hairs upon a horse's mane ;
And, unreluctant as the moments speed
Soar to destruction in the slanting rain.


Geen opmerkingen: