zaterdag 2 oktober 2010

Julian del Casal. Cuba (1863 - 1893)




Jose Julian Herculano del Casal y de la Lastra werd geboren op 7 november 1863 te Havana, Cuba als zoon van een Spaanse moeder en een Cubaanse vader. Casal's moeder overleed toen hij slechts vijf jaar oud was. Een gebeurtenis die de jongen voor het leven zou tekenen. Het feit dat zijn vader nooit thuis gaf op het gebied van verlenen van enige emotionele steun maakte het er niet beter op. Waarmee de thema's angst en eenzaamheid in zijn poëzie al snel verklaard lijken.

Julian werd al snel door zijn vader naar een kostschool te Belén gestuurd alwaar hij zou afstuderen in 1879. Daarna volgde nog een studie rechten aan de universiteit te Havana. Maar na een jaar had hij dat ook wel gezien en accepteerde een functie bij het ministerie van Financiën in de Cubaanse hoofdstad. Gedurende deze periode begon hij artikelen te schrijven voor La Habana Elebante, maar naar aanleiding van een pittige column over de Gouverneur Generaal van Havana werd hij ontslagen.

Hij vertrok naar Spanje om zich voor even aan alle commotie te onttrekken, maar kwam daar al snel zonder geld te zitten en keerde na enkele weken al weer terug naar Cuba, waar hij de journalistieke pen weer oppakte en verschillende kranten begon te voorzien van de nodige kopij.
Maar zijn geestelijke gemoedtoestand werd al snel een te groot obstakel zodat hij zijn baan opzegde en zich steeds meer terugtrok uit het sociale leven, zich beperkend tot de contacten met enkele vrienden. Daarentegen onderhield hij wel veel correspondenties met dichters en andere intellectuelen buiten Cuba, zoals Ruben Dario en Gustave Moreau.

Hoewel del Casal al langer poëzie schreef, zouden de eerste gedichten pas na de dood van zijn vader in 1885 gepubliceerd worden. Eerst in verschillende periodieken zoals La Habana Elegante & El Figaro. Zijn eerste bundel Hojas al viento verscheen in 1890, gevolgd door Nieve (1892) & Busros Y rimas (1893). Daarnaast publiceerde hij onder andere vertalingen van Baudelaire.

Na verschillende jaren geplaagd te zijn door de Tuberculose overleed hij in oktober 1893 op 29-jarige leeftijd. Kort voor het verschijnen van zijn derde bundel.

Flowers

my heart was a crystal vase
and in solitude fragrant grew there
under the starlight, a lily white -
it was a prayer
like a virgin anaemic and pale
all withered this flower i see
now in my heart grows a purple bay rose
it's blasphemy

© Julian del Casal - vertaald door ?

donderdag 23 september 2010

Pieter Bogaers, Nederland (1805-1833)



Pieter Henricus Bogaers werd geboren op 6 maart 1805 te Helmond als zoon van Henricus Peter Bogaers (1772-1857) & Maria Catharina Sanders (1775-1858). In totaal telde het gelovige gezin 6 kinderen. waarvan Pieter de op één na oudste was. Een van zijn jongere broers zou later priester worden in het bisdom van 's Hertogenbosch.

Hij studeerde in het Duitse Kempen om daarna te vertrekken naar Antwerpen, alwaar hij zich bekwaamde in de handel, zijn vader was immers linnenfabrikant. Teruggekeerd in Helmond ontwikkelde hij een innige vriendschap met de leerlooier Adam Swinkels, die op 26 maart 1832 op 34 jarige leeftijd overleed aan, zoals de bronnen vermelden, ene teringziekte.

Hierover schreef hij het onderstaade gedicht:

Bij het afsterven mijns Boezemvriends

Hij is voor mij niet meer ! ... wat slag kan harder treffen?...
Wie vriend en troost verliest kan slechts dien slag beseffen
't Onschuldig kindertal, de troostelozze vrouw
Beweenen 't voorwep ook van hunne liefde en trouw.

Het denken aan mijn vriend kon me immers 't hart doen gloeijen
En nu, nu doet het ach! slechts mijn tranen vloeijen
Vergeef O God! vergeef dit menschelijk gevoel:
Gij duldt dit stil verdriet, want liefde was uw doel.

Wij kunnen niet meer zijn waar we eertijds zamen waren:
'k Behoef voortaan niet meer naar 't vreedzaam oord te staren,
Waar eens gesloten wierd 't vriendschappelijk verbond:
Het was op reine deugd en beider trouw gegrond.

Zoo, zijt gij, Swinkels, dan dit tranendal ontweken
Mij baat geen bange zucht, geen eindloos tranen-leken
Zij dringen niet in 't graf, dat tyhans uw ligchaam dekt,
Gij wordt door droefheid niet ten leven opgewekt.

't Helpt niets, al werp ik mij op uw grafstee neder!
Gij ziet mijn rouwe niet. Ik zie u nimmer weder.
Ach kondet gij nog eens het oog slaan naar deze aard,
Die mij zoo doornig werd toen gij er niet meer waart!

O God, versterk mijn geest en stort mij troost in 't harte,
Verzacht mijn knagend leed. Ach! lenig mijne smarte .
Verloren is hij niet, die vader, man en vriend,
Die werkzaam leefde en God zoo ijvrig heeft gediend.

Ik zag hem hier op aarde en christelijk leven leiden:
Waarom dan zoo getreurd bij 't zalige verscheiden,
Nu hij, zoo 'k hoop, reeds deelt den Englen reine vreugd
En 't aanschijn van zijn God hem eindeloos verheugt?

Eens wordt mij na een vroom, arbeidzaam, stichtelijk leven
Dat voorbeeld aller deugd, die vriend teruggegeven.
Ja, wat door dood of tijd vernield wordt of gesloopt,
Geen vriendschapsband door deugd voor eeuwig vast geknoopt.

Een jaar later, doornat van een pelgrimstocht naar Kevelaer thuisgekomen, werd hij aangeklampt door de tyfus en overleed op 13 mei 1833 te Helmond, slechts 28 jaar oud.

maandag 9 augustus 2010

Marshall Carter, USA (1791 - 1820)

Marshall Carter werd geboren in Buckland, Massachussetts maar verhuisde op jonge leeftijd naar Vermont. Studeerde rechten en was onder andere werkzaam in Bennington. Hij overleed op 5 september 1820 0p 29 jarige leeftijd.

Charles Carrau, Frankrijk (1885 - 1916)

publiceerde "Carillion Pascal" in La Binche

sneuvelde op 21 januari 1916 nabij Maison de Champagne

José Eusebio Caro, Colombia (1817-1853)



Caro werd geboren op 5 mei 1817 te Ocana in Colombia.

In 1836 richtte hij samen met Jose Joqauim Ortiz (1814 - 1892) het eerste literaire blad in Colombia op "La Estrella Nacional" In 1849 was hij één van de oprichters van een nieuwe conservatieve politieke partij : de CCP.

Hij wordt gezien als de meest bekende dichter van de Colombiaanse Romantiek.

Hij overleed op 29 januari 1853 te Santa Marta.

Zijn gedichten werden postuum gepubliceerd.

donderdag 22 juli 2010

Mario de Sá-Carneiro. Portugal (1890 - 1916)



19.05.1890 Lissabon
26.04.1916 Parijs

Sá-Carneiro werd geboren op 19 mei 1890 te Lissabon in een rijke familie, met een sterke militaire traditie. Zijn moeder overleed toen Mario twee jaar oud was, waarna hij grotendeels werd opgevoed door zijn grootouders op een boerderij nabij Lissabon. Sá-Carneiro schreef zijn eerste gedichten toen hij een jaar of 12 was. Op zijn zestiende had hij reeds werken vertaald van mannen als Victor Hugo, Johann Wolfgang von Goethe en Friedrich Schiller. Zijn eerste proza schreef hij op de middelbare school, ingegeven door zijn werkzaamheden als acteur. In 1911 vertrok hij naar Coimbra alwaar hij rechten ging studeren. Maar hij zou niet verder komen dan het eerste jaar. In Coimbra ontmoette hij echter wel Fernando Pessoa, met wie hij al snel een hechte vriendschap onderhield. Het was Pessoa, die hem introduceerde bij een groep van modernisten te Lissabon.

Na Coimbra vertrok Sá-Carneiro naar Parijs om te gaan studeren aan het Sorbonne. Hoewel zijn vader stug doorging met het betalen van het lesgeld, stopte Mario al snel met het bezoeken van de colleges. Hij leefde het leven van een bohemian, zijn tijd grotendeels doorbrengend in de theaters en cafe's van de stad, alwaar hij verliefd werd op een prostituee.

Samen met Pessoa en Negreiros schreef hij voor Orpheu, een tijdschrift voor poezie en artistiek proza dat sterk beinvloed werd door de europese Avant-Garde. Het tijdschrift was te futuristisch voor de op dat moment heersende portugese schriftgeleerden en zorgde dan ook voor menig schandaal. De controversie rond het blad en de heersende geldproblemen (zijn vader trok zich terug zorgde ervoor dat er slechts twee edities uit zouden komen. Twee edities die overigens een grote eeuwigheidswaarde hebben binnen de Portugese literatuur.

Gebukt onder de geldproblemen en zware depressies schreef Sá-Carneiro op 31 maart 1916 een dramatische brief aan Pessoa. "Unless a miracle, next Monday, March (or even the day before), your friend Mário de Sá-Carneiro will take a strong dose of strychnine and disappear from this world".

Uiteindelijk pleegde hij op 26 april 1916 zelfmoord door een grote dosis strychnine naar binnen te werken in het Hôtel de Nice te Montmartre, Parijs.



Zijn literaire invloeden waren onder andere Edgar Allan Poe, Oscar Wilde, Charles Baudelaire, Stéphane Mallarmé, Fyodor Dostoevsky, Cesário Verde en António Nobre.

Álcool

Guilhotinas, pelouros e castelos
Resvalam longemente em procissão;
Volteiam-me crepúsculos amarelos,
Mordidos, doentios de roxidão.

Batem asas de auréola aos meus ouvidos,
Grifam-me sons de cor e de perfumes,
Ferem-me os olhos turbilhões de gumes,
Descem-me a alma, sangram-me os sentidos.

Respiro-me no ar que ao longe vem,
Da luz que me ilumina participo;
Quero reunir-me, e todo me dissipo ---
Luto, estrebucho... Em vão! Silvo pra além...

Corro em volta de mim sem me encontrar...
Tudo oscila e se abate como espuma...
Um disco de oiro surge a voltear...
Fecho os meus olhos com pavor da bruma...

Que droga foi a que me inoculei?
Ópio de inferno em vez de paraíso?...
Que sortilégio a mim próprio lancei?
Como é que em dor genial eu me eternizo?

Nem ópio nem morfina. O que me ardeu,
Foi álcool mais raro e penetrante:
É só de mim que ando delirante ---
Manhã tão forte que me anoiteceu.

dinsdag 25 mei 2010

Vasile Carlova, Roemenie (1809 - 1831)



Carlova werd op 4 februari 1809 te Buzau geboren, als zoon van een oude familie van landeigenaren in Targoviste. Zijn ouders stierven toen hij nog jong was, zodat hij vanaf 1816 werd opgevoed door een tante in Craiova

Er zijn slechts vijf gedichten van hem bekend, hoewel dat genoeg is gebleken om hem te scharen onder de beste Roemeense dichters van zijn tijd - jammer genoeg ben ik vooralsnog geen gedichten (in vertaling) van hem tegengekomen. Enkel de titels en enige door anderen meegegeven karakteristieken.

1827 Pastorul intristat (De trieste schaapsherder)
1828 Ruinurile Targovistei (De Ruines van Targoviste - een gedicht dat bolstaat van het patriotisme)
1828 Rugacuinea (Gebed)
1829 Inserare (Nachtval)
1830/31 Marsul Romanilor (De Roemeense Mars - Een gedicht dat zwaar gecensureerd werd en enkel op losse vellen verspreid werd, maar desondanks of juist daarom beschouwd wordt als zijnde zijn beste werk)

In 1830 deed hij zijn intrede in een recent opgerichte Nationale Militie (voorloper van het hedendaagse Roemeense leger). Hij staat te boek als de 33e vrijwilliger die zich aan wist te melden. Op 18 september 1831 overleed hij op 22 jarige leeftijd in een legerkamp aan de gevolgen van een infectieziekte.

Ruinurile Târgoviştei

O, ziduri întristate! O, monument slăvit!
În ce mărime naltă şi voi aţi strălucit,
Pă când un soare dulce şi mult mai fericit
Îşi răvărsa lumina p-acest pământ robit!
Dar în sfârşit Saturnu, cum i s-a dat de sus,
În negura uitării îndată v-a supus.
Ce jale vă coprinde! Cum totul v-a pierit!
Subt osândirea soartei de tot aţi înnegrit!
Din slava strămoşască nimic nu v-a rămas.
Oriunde nu se vede nici urma unui pas.
Ş-în vreme ce odată oricare muritor
Privea la voi cu râvnă, cu ochiu-aţintător,
Acum de spaimă multă se trage înapoi
Îndată ce privirea îi cade drept pe voi...
Dar încă, ziduri triste, aveţi un ce plăcut,
Când ochiul vă priveşte în liniştit minut:
De milă îl pătrundeţi, de gânduri îl uimiţi.
Voi încă în fiinţă drept pildă ne slujiţi
Cum cele mai slăvite şi cu temei de fier
A omenirei fapte din faţa lumei pier;
Cum toate se răpune ca urma îndărăt,
Pe aripile vremii de nu se mai arăt;
Cum omul, când să fie în toate săvârşit,
Pe negândite, cade sau piere în sfârşit.
Eu unul, în credinţă, mai mult mă mulţumesc
A voastră dărămare pe gânduri să privesc,
Decât zidire naltă, decât palat frumos,
Cu strălucire multă, dar fără un folos,
Ş-întocmai cum păstorul ce umblă pre câmpii,
La adăpost aleargă când vede vijălii,
Aşa şi eu acuma, în viscol de dureri,
La voi spre uşurinţă cu triste viu păreri.
Nici muzelor cântare, nici milă voi din cer,
O Patrie a plânge cu multă jale cer.
La voi, la voi nădejde eu am de ajutor;
Voi sunteţi de cuvinte şi de idei izvor.
Când zgomotul de ziuă înceată preste tot,
Când noaptea atmosfera întunecă de tot,
Când omul de necazuri, de trude ostenit
În liniştirea nopţii se află adormit,
Eu nici atunci de gânduri odihnă neavând,
La voi fără sfială viu singur lăcrămând
Şi de vederea voastră cea tristă însuflat
A noastră neagră soartă descoper nencetat.
Mă văz lângă mormânt al slavei strămoşeşti
Şi simţ o tânguire de lucruri omeneşti;
Şi mi se pare încă c-auz un jalnic glas
Zicând aceste vorbe: "Ce, vai! a mai rămas,
Când cea mai tare slavă ca umbra a trecut,
Când duhul cel mai slobod cu dânsa a căzut".
..........................
..........................
Acest trist glas, ruinuri, pă mine m-au pătruns
Şi a huli viaţa în stare m-au adus.
..........................
..........................
Deci priimiţi, ruinuri, cât voi vedea pământ,
Să viu spre mângâiere, să plâng pe-acest mormânt,
Unde tiranul încă un pas n-a cutezat,
Căci la vederea voastră se simte spăimântat!