vrijdag 1 augustus 2008

dinsdag 29 juli 2008

Dan Andersson (1888-1920)


Muzikant & schrijver van eenvoudige komaf die uit zou groeien tot één van de meest populaire Zweedse dichters. Hij kreeg pas postume waardering - gedurende zijn leven leed hij aan financiële tekorten en werd zijn werk door critici afgedaan als onbegrijpelijk.

Werd geboren te Skattlösberg Grangärde. Zijn vader - Adolf Andersson - was een diep religieus man, onderwijzer in een kleine dorpsschool. Verdiende bij als boekbinder. Ze waren arm en de familie moest extra inkomen zien te beuren uit verscheidene klusjes en deeltijdbaantjes.

In zijn jeugd leidde Dan een zwervend bestaan. Werkzaam als houtbewerker, tijdelijk leerkracht, fabrieksarbeider en reizend verkoper. Op zijn veertiende werd hij naar Amerika gestuurd om de mogelijkheden tot emigratie te gaan bestuderen. Werkte daar op de boerderij van een oom en tante maar na acht maanden keerde hij terug zonder geld en met de blaren op zijn hielen. Terug in Zweden zat hij weer snel in het vertrouwde ritme van het ene baantje na het andere. Iets wat jaren aanhield, maar hem in ieder geval wel veel inspiratie verstrekte voor zijn poëzie.

In 1910 trad Andersson toe tot het Zweedse leger, maar werd al snel ontslagen in verband met Tuberculose.

Hij las veel van denkers zoals Kant, Schoppenhauer & Nietszsche. Onder zijn vrienden bevond zich ook ene Martin Koch, die later typische arbeiders romans zou publiceren.

Vanaf 1913 stortte hij zich volledig op het schrijven
1914 - Kolarhistories
1915 - Kolvaktarens visor
1916 - Dat Kallas vidskepsele (korte verhalen)
Liet zich in zijn werk inspireren door schrijvers zoals Wilde, Tagore en Dostojevski.

Bleef leven in complete armoede en probeerde zijn hoofd enkel nog boven water te houden doormiddel van schrijven.

De familie verhuisde in 1915 naar Granberg, waar ze een huis bouwde. Op de koude zolder bleef Andersson ondertussen stug doorschrijven.

1917 - Svarta Ballader (gedichten)
1918 - De Tre Hemlösa (autobiografisch - de drie thuislozen)
1919 - David Ramms Arv

Als schrijver bleef Andersson echter onbekend bij het grote publiek

David Rann is de zoon van een arme kleermaker (Andersson's vader is een periode kleermaker geweest). Hij groeit op met zijn broer in een afgelegen dorpje dat geplaagd wordt door religieuse fanatici. David gaat naar zee, ondergaat de zonden van Londen en wordt gered door een zichzelf opofferende prostitué.

In 1917 werkte hij als een journalist voor Ny Tid, een krant die verscheen in Göteburg. Hij nam ontslag in 1918 & keerde terug naar Grasberg - naar zijn ouders.

In 1918 trouwde hij met Olga Turesson & vestigde zich in een klein dorpje (Göuas) waar zijn vrouw werkzaam was als lerares, maar hij bleef zwervende. Zijn financiële situatie bleef slecht, ondanks de voorschotten & giften van vrienden.

Hij stierf op 16 september 1920 in een hotel te Stockholm aan een cyanide vergiftiging. De Cyanide werd gebruikt om vlooien en andere bedbeestjes te doden. Maar het matras en beddengoed waren niet bepaalde goed gelucht zodat de volle dosis er nog in was blijven zitten, en Andersson dit gedurende de nacht geïnhaleerd heeft, om vervolgens niet meer wakker te worden. Hij werd 32 jaar.

Cornelis des Amorie van de Hoeven (1831-1860)

25.03.1831 Amsterdam
24.02.1860 Cannes

Legde zich eerst op de handel toe, maar werd later gedetacheerd aan het Departement van Buitenlandse Zaken. Hij overleed te Cannes. Achtentwintig jaar oud.

Zijn Poëtische nalatenschap werd in 1870 te Amsterdam uitgegeven door M. Cohen Stuart.

Abraham des Amorie van der Hoeven (1821-1848)



15.02.1821 Rotterdam
20.03.1848 Utrecht

Nederlands Theoloog en Letterkundige

Studeerde theologie en letteren te Leiden en publiceerde in die tijd als antwoord op Bosscha's A-saga en Van Lenneps E-legende een verhaal met de o als enige klinker: Colholms roos. O-sprook (1841).

Promoveerde op zijn beide vakgebieden in 1843 en reisde daarna door Duitsland, waarvan hij verslag deed in Herinneringen van mijne academiereis in 1843 (1845).

In April 1844 werd hij predikant te Boskoop en een jaar later te Utrecht.

Van 1845 tot 1846 was hij medewerker aan De Gids.

Hoewel zijn belangrijkste werk op theologisch gebied ligt, zoals in De godsdienst, het wezen van de mensch; brief aan dr. J.J. van Oosterzee (1848), schreef hij ook literair werk dat na zijn dood gebundeld werd in Proza en poëzie (1850), waarin een herinnering aan de schrijver door J.J. van Oosterzee werd opgenomen.

Juris Alunans (1832-1864)


13.05.1832 Jaunkalsnova
18.04.1864 Jostenes Pagasta

Zoon uit een rijke boerenfamilie

Studeerde van 1856 tot 1861 te Tartu & St.Petersburg. Vanaf 1862 was hij de editor van de Petersburgas avizes - orgaan van de Nieuw Letlandse beweging, de eerste nationalistische krant in Letland. Hij was één van de grondleggers van de Letse literaire taal & de eerste echte Letse dichter met enige autoriteit.

Als taalhervormer, bedacht hij vele nieuwe Letse woorden en bande de Duitse taal zoveel mogelijk uit. Zijn enige bundel met gedichten is het in 1856 gepublicerrde Dziesminas (liedjes)

In 1859 publiceerde hij nog een encyclopedisch werk met verzen, volkspoezie en vertalingen.

Jack Altausen (1907- 1942)


Yakov Moiseyevich Altausen werd geboren in 1907 in een familie van goud c.q. gelukzoekers. Op zijn elfde kwam hij door omstandigheden in China terecht. Hij woonde in Harbin & Shanghai, alwaar hij onder andere werkzaam was in hotels en als krantenjongen. Werkte tevens als jong serveerder op cruise liners. In deze periode veranderde zijn naam langzamerhand in Jack en kwam ook als zodanig in zijn officiële papieren terecht.

Maar kort daarna begon het vaderland weer aan hem te trekken en vertrok hij naar Chita, alwaar hij de oudere dichter Jospeph Utkin ontmoette die hem hielp met de overtocht naar Irkoetsk, en hem die vastigheid probeerde te bieden die een jonge knaap nu eenmaal nodig heeft in het leven.

Op het einde van 1922, sloot hij zich aan bij de Komosol om het daaropvolgende jaar te gaan studeren in Moskou, alwaar hij veelvuldig bezoeken bracht aan het literaire instituut en langzaam maar zeker een naam voor zichzelf begon te maken.

Aan het einde van dat decennium werkte hij voor de krant Komsomolskaya Pravda, alwaar hij in contact kwam met dichters zoals Mayakovski & Bagritsky. Die beide een sterke invloed op zijn werk zouden hebben. De Helden in de poezie van Altausen waren echter de partizanen, Jonge Komsols, communisten die heroïsche daden pleegden voor volk en vaderland. Zijn poëzie werd zeer goed ontvangen. vooral door de jongere lezers.

In Juni 1941, niet wachtende op zijn oproep, melde hij zich aan voor dienst in het Russische leger.
Voor zijn oorloggedichten kreeg hij een onderscheiding.

Jack Altausen sneuvelde in 1942 nabij Kharkov.

"And I looked at it, happily smiling,
joy writ on my features smoke-tanned.
It was written to me by my country
in my true wife's unfaltering hand."

uit : A letter from my wife - 1941
vertaald door Dorian Rottenberg

maandag 28 juli 2008

Peter John Allen (1825-1848)

Peter John Allen werd geboren te York in Engeland maar groeide op in het Canadese Fredericton, New Brunswick. Begon aan King's College (tegenwoordig de universiteit van New Brunswick, maar vertrok voortijdig om rechten te gaan studeren. Een studie die hij met succes doorliep en waarna hij als advocaat werkzaam was.

In 1843 werden zijn eerste gedichten gepubliceerd in The New Brunswick Reporter. Na verschillende publicaties begon hij plannen te maken voor een eigen bundel en probeerde genoeg voorinschrijvers te ronselen om zode onkosten te kunnen dekken, maar voor zijn droom werkelijkheid kom worden stierf hij "compleet onverwachts" doormiddel van koorts te Fredericton. Drieentwintig jaar oud.

vlak voor zijn dood schreef hij nog het volgende gedicht:

March 1848

OLD creeping Time, your rusty scythe let fall,
Perhaps you then may go a little faster;
Now, like a mourner at a funeral,
You tortoise it along. O earth's great master,
Do spread your wings, and through heaven's azure arch,
Take just one flight and put an end to March.
Hark ye, a deep gruff voice exclaims, "You stupid,
D'ye see I'm no octogenarian Cupid;
And not for you my jog-trot will I alter,
To bring my dissipated daughter, Spring;
My dancing days are over; I should falter
Should I attempt to fly with such a wing."
So saying, he displayed, as stiff as starch,
His pinions bright, with icicles in March.

In 1853 verschenen te Londen zijn Poetical remains


Lambertus Joannes Alberdinghk Thijm

30 september 1823 Amsterdam
01 december 1854 Amsterdam

Groeide op in een gezin, waar de aanleg voor dichten en het componeren van liederen rijkelijk door de aderen stroomde. Zowel zijn vader als zijn oudere broer zijn niet bepaald onbekend te noemen binnen de nederlandse letteren. respectievelijk Joannes Fransicus Alberdingk Thijm & Josephus Albertus Alberdingk Thijm. (zie het dbnl)

Vanaf zijn twintigste legde hij zich volledig toe op de kunsten, waarbij het componeren de boventoon voerde. De uitvoering liet hij doorgaans aan anderen over.

Medewerker van den Spectator (1843-1950), waar hij zich voornnamelijk bezighield met de muzikale onderwerpen en artikelen en aan den bundel O. en N. Kerstliederen. Bewerkte, behalve eenige vlugschriften over muziek: De volks-revelje naar 't Frans van Platon Polichinelle, dat in 1852 uitgegeven werd te Amsterdam.
bron : dbnl

Pieter Akkerman (1910-1934)

Enkele jaren geleden kwam ik op het internet een mededeling tegen over een groep studenten van een of andere universiteit die onderzoek gingen doen naar de levenswandel van de jonggestorven dichter Pieter Akkerman. Maar vandaag de dag is zelfs die mededeling niet meer te vinden. Ben wel enkele Pieter Akkermannen tegengekomen met dezelfde sterfte en geboorte jaar in genealogieeen, maar met zekerheid valt hieromtrent nog niets te stellen.

Kurd Adler (1892-1916)

00.00.1892
06.07.1916

Enkele van zijn loopgraafgedichten verschenen in Erwin Piscators anthologie 1914-1916 & in Die Aktion verschenen de gedichten Das Geschutz, Ruhe an der front.

Zijn verzamelde gedichten verschenen in de series Der rote helm - onder de titel Wiederkehr gedichte (verlag die Aktion, Berlin Wilmersdorf 1918)

Gesneuveld aan het westelijk front

Francis Adams (1862-1893)

27.09.1862 Malta
04.09.1893 Margrate, Kent

Francis William Lauerdale Adams werd geboren te Malta als zoon van Andrew Leith Adams, een bekend bioloog & professor aan Queens college te Cork & Bertha Jane Grundy, een bekend romanschrijfster. Zijn grootvader Francis Adams was overigens een klassiek geleerde en medicus.

Adams studeerde aan een privé school te Shrewsburry & van 1878 tot 1880 te Parijs. De twee jaar die daar op volgde was hij onderdirecteur van Ventnor college. Hij trouwde met de zes jaar oudere Helen Elizabeth Uttley en emigreerde naar Australie, grotendeels op advies van de doktoren in verband met de tuberculose waar hij al vanaf zijn jeugd aan leed. Na enige aanpassingsmoeilijkheden trad hij toe tot de redactie van het Sydney bulletin & schreef tevens verhalen, artikelen & essays voor verschillende magazines. In het begin diende hij nog wel wat bij te klussen als leraar, maar later bleken de inkomsten als schrijver afdoende te zijn.

1885 - Leicester (autobiografische roman) beleefde na diens verschijnen in Australie verschillende herdrukken te Engeland.

In 1886 verhuisden ze naar Brisbane alwaar een zoon (Leith) werd geboren. Niet veel later echter overleed Helen aan reumatische koorts en de nasleep van de geboorte, kort daarop gevolgd door haar zoon.

1886 - Australian Essays

In 1887 na enige omzwervingen via China & Japan hertrouwde hij te Brisbane met Edith Goldstone, een voormalig actrice. Was in deze periode zeer productief. Deels om het geld voor de overtocht naar Engeland mee te kunnen bekostigen. De reden voor deze terugkeer is me vooralsnog niet geheel duidelijk geworden, aangezien hij altijd een sterke heimwee naar Australie zou houden. Wat ook in zijn werk steeds weer tot uiting werd gebracht.

1888 - Songs of the army of the night (de poëziebundel zorgde enigszins voor een schandaal daar het in de nogal preutse periode behoorlijk uitgesproken passages bevatte)

Keerde rond 1890 terug naar Engeland. Net als in het begin in Australie, had hij ook hier moeite om de eindjes aan elkaar te knopen. Tot hij in contact kwam met The Fortnghtly review, voor wie hij een reeks artikelen produceerde omtrent de Australische samenleving.

1892 - The Melbourians
1893 - Australian Life

In een periode van depressie en fysieke onevenwichtigheid pleegde hij drie weken voor zijn 31e verjaardag zelfmoord door zich door het hoofd te schieten. Hoewel er geen directe bewijzen voor zijn, wordt er ook wel beweerd dat zijn vrouw hem een helpende hand toegestoken zou hebben. Ze zou namelijk het pistool hebben langsgebracht en hebben toegekeken.

1894 - Tiberius (dit postuum gepubliceerde toneelstuk, wordt wel gezien als zijnde zijn beste werk)

Adams was een man met veel talent, maar 't ontbrak hem doorgaans aan de discipline al zijn talenten aan te wenden.

Edmond Adam (1889 - 1918)


00.00.1889
24.08.1918 Veuve (gesneuveld)

maakte deel uit van het 1e regiment Genie in het Franse leger
Chevallier Legion d'honneur

Publiceerde onder andere gedichten in les Humbles


Plan de Campagne

Aangezien ik uiteindelijk toch het streven heb alhier een encyclopedisch achtig naslagwerkje te creeren, ben ik van mijn oorspronkelijke planning afgestapt enkel de completere bio's te plaatsen. Vanaf vandaag volg ik dus gewoon het alfabet en noteer de gegevens die ik tot nog toe gevonden heb. Bij sommige dichters zal dat voorlopig enkel een naam en jaartallen betreffen - het zij zo. Nieuwe info wordt terzijnertijd toegevoegd. We gaan het meemaken. En de wereld met ons.

zondag 27 juli 2008

Manuel Acuna Narro (1849-1873)



27.08.1849 Saltillo
06.12.1873 Mexico stad

Manuel Acuna werd geboren in Saltillo, Mexico op 27 augustus 1849 als zoon van Fransisco Acuna en Refugio Narro. Op jonge leeftijd leerde hij reeds lezen en schrijven. Studeerde aan het Colegio Josefino te Saltillo. Rond 1865 verhuisde hij naar Mexico Stad om aldaar wiskunde, Latijn, Frans en Filosofie te gaan studeren aan het San Ildefonso.

In Januari 1868 begon hij aan een studie medicijnen aan de Nationaal autonome universiteit van Mexico. Ondanks het feit dat hij beschouwd werd als een zeer goede student zou hij deze studie nooit afronden. De kamer op de universiteit alwaar hij zijn intrek had genomen werd al snel een verzamelplaats voor jonge aanstormende schrijftalenten. Het was dan ook in dat jaar dat hij zijn opwachting zou maken in de Mexicaanse literatuur, door de publicatie van een gedicht dat hij schreef op het overlijden van een van zijn naaste vrienden - Eduardo Alzua. Datzelfde jaar was hij betrokken bij de oprichting van de Literaire Sociëteit Nezahualcoyot. Het werk dat men binnen deze sociëteit presenteerde werd gepubliceerd in El anahuac (1869) en in een pamflet "de literaire essays van de Sociëteit Nezahualcouyot" dat als bijlage verscheen van de krant La Iberia. (deze laatste werd grotendeels door hemzelf gevuld) Op 9 mei 1871 werd er een dramatisch werk van hem gepubliceerd onder de titel "el passado" (het verleden), welke door zowel de lezers als de critici goed ontvangen werd & herkend als het werk van een groot dichter.
Rosario de la Pena fungeerde als zijn muze in deze periode, en kan wel beschouwd worden als de grote liefde van zijn leven. Niet verwonderlijk aangezien bijna elke man die zich voortbewoog in de literaire kringen van Mexico Stad wel een oogje op haar had. Maar tot een relatie zou het nooit komen. Tot op de dag van vandaag wordt verondersteld dat zijn onbeantwoorde liefde voor haar de uiteindelijk reden is geweest dat hij zich op 6 december 1873 van het leven zou beroven door inname van Cyanide. Vier dagen later werd hij ter aarde besteld. Later zou er een monument verrijzen.

vrijdag 25 juli 2008

Richard Barham Middleton (1882 - 1911)

28.10.1882 Staines, Middlesex
01.12.1911 Brussel

Middelton volgde zijn opleidingen aan vier verschillende publieke scholen. Deed wel wat cursussen aan de universiteit te Londen en verdiende de nodige certificaten in Wiskunde, scheikunde & Engels nadat hij geslaagd was voor de toelatingsexamens van zowel Oxford als Cambridge. Maar zou er nooit echt studeren. Daarvoor in de plaats werkte hij als klerk op het kantoor van een verzekeringsmaatschappij. Maar na zes jaar (1901-1907) nam hij ontslag daar hij er nauwelijks enige voldoening aan ontleende. Maar zat nu wel zonder inkomen, daar de geschriften die hij in verschillende kranten en bladen had weten te publiceren hem nauwelijks iets hadden opgeleverd.

Was lid van een groep die zich The New Bohemians noemde & elkander ontmoette in The Prince's Head. Alwaar hij onder andere kennis maakte met Hillaire Belloc, G.K. Chesterton & Arthur Machen. Onduidelijk is het hoe hij zich in deze periode in leven hield, aangezien er geen melding wordt gemaakt van wat voor inkomen / baan dan ook.

In 1911 verbleef hij in Brussel, alwaar hij in een briefje aan zijn vriend Henry Savage schreef "Going adventuring again" om vervolgens zelfmoord te plegen door inname van Chloroform. Hij werd te Belgie begraven. Swinburne, Downson & Symons waren zijn grote voorbeelden.

1912 Poems & songs
1912 Ghost ship & other stories
1923 The day before yesterday (essays)
1924 The district visitor (toneel)
1929 Letters to Henry Savage
1932 The pantomime man

ON A DEAD CHILD by Richard Barham Middleton

Man proposes, God in His time disposes,
And so I wander'd up to where you lay,
A little rose among the little roses,
And no more dead than they.

It seemed your childish feet were tired of straying,
You did not greet me from your flower-strewn bed,
Yet still I knew that you were only playing -
Playing at being dead.

I might have thought that you were really sleeping,
So quiet lay your eyelids to the sky,
So still your hair, but surely you were peeping;
And so I did not cry.

God knows, and in His proper time disposes,
And so I smiled and gently called your name,
Added my rose to your sweet heap of roses,
And left you to your game.

woensdag 23 juli 2008

Alexander Artemov (1912 - 1941)

Alexander Alexandrovich Artemov werd geboren in 1912. Op zijn vijftiende begon hij met het schrijven van poëzie. In het begin beperkte hij zich nog voornamelijk tot voordrachten op plaatselijke literaire bijeenkomsten, maar al snel werd zijn werk ook door de provinciale en landelijke pers opgemerkt. In 1939 verscheen zijn eerste bundel ""de pacifische oceaan" een jaar later gevolgd door "de winnaars".

zijn werk is sterk gevoed door de indrukken die hij gedurende zijn reizen aan de oostgrens van het Russische Rijk op deed & zijn voorliefde voor de geschiedenis van het noorden en het verre-oosten. Hij schreef over campagnes, pioniers & ontdekkingsreizigers. Daarnaast schreef hij ook een hele reeks over de helden van de Burgeroorlog & een ballade over Mikhail Popov.

In 1940 ging hij studeren aan Gorky's literair instituut, maar hier kwam snel een einde aan, toen hij zich een jaar later als vrijwilliger aanmelde voor de frontlinie. Niet veel later sneuvelde Artemov.

dinsdag 22 juli 2008

Leon van Kelpenaar

Leon van Kelpenaar, pseudoniem van Leonardus Johannes Josephus Obers, roepnaam Leo (Deurne, 27 maart 1930 - Meijel, 23 augustus 1951), was een Nederlandse dichter. Hij was de zesde van dertien kinderen van handelsreiziger Leonard Hendrik Obers en diens vrouw Joanna Theodora Coopmans.

Ten tijde van zijn dood (door verdrinking in een kanaal) studeerde hij Nederlandse Letterkunde en Geschiedenis aan de Katholieke Universiteit te Nijmegen. Eerder zat hij op het Klein Seminarie.

Hij werd op 26 augustus 1951 begraven op het kerkhof van de Sint- Willibrorduskerk (graf 347) in Deurne. Zijn broer Frans (Babylon) Obers is op de dag af zeventien jaar later in het graf bijgezet. Op datzelfde kerkhof is ook het graf van hun broer Pieter Obers (1931-1945) te vinden.
Frans Babylon schreef in het tijdschrift Roeping een in memoriam voor zijn broer: 'In het kanaal van vaders jeugd en de onze werd zijn zelfvertrouwen gebroken [...] Niet lang daarna vond ik hem terug in een onbenaderbare voltooidheid. Zijn lichaam op de baar veel langer, volwassener en waardiger dan ik het ooit tevoren kende.'



In de jas van Van Kelpenaar, die aan de rand van het kanaal lag, vond men een portefeuille met daarin alle gedichten die hij geschikt achtte voor publicatie. Die publicatie is kort na zijn dood verzorgd door Frans Babylon onder de titel In memoriam Leon van Kelpenaar, met illustraties van Gerard Bruning, en in een beperkte oplage 'uitsluitend verspreid onder vrienden en kennissen van de verdronken dichter.'

Op het bidprentje van de overledene stond een gedicht van zijn broer, getiteld 'In memoriam fratris'; waaruit de volgende regels:

En toen een avond was bezonken
in 't jeugdland met zijn wijd verschiet,
wou hij weer zwemmen bij het riet,
maar is in de eeuwigheid verdronken.

In Deurne is een Leon van Kelpenaarstraat te vinden.

maandag 21 juli 2008

Margaret Miller Davidson (1823 - 1838)


Margaret Davidson, geboren op 26 maart 1823 in Platsburgh, New York, was één van de jongste telgen uit de fragiele Davidson clan, waarvan zeven van de in totaal negen kinderen, hun moeder vooraf gingen in de tunnel des doods. Toen haar oudere zuster Lucretia (die hier eerder beschreven is) overleed, was Margaret nog een peuter, maar de nagedachtenis werd door hun moeder meer dan levend gehouden. Ze moedigde Margaret dan ook veelvuldig aan om in de voetsporen van haar zuster te treden. Wat dan ook geschiedde.

Gedurende haar korte en ziekelijke leven, kreeg ze onder het wakende oog van haar moeder een brede scholing. Zo studeerde ze filosofie, talen, geschiedenis en schreef natuurlijk poëzie, die sterk leunde op dat van de romantici en de nalatenschap van haar zuster. Haar eerste gedichten schreef ze op haar zesde. Toen ze tien was, schreef ze gedurende een bezoek aan New York in twee dagen tijd het toneelstuk "Tragedy of Alethia". In navolging van Lucretia en de anderen bezweek ook zij aan tuberculose op 25 november 1838 te Saratoga, New York - slechts vijftien jaar oud.

In 1841 verscheen van de hand van Washington Irving "The biography and the literary remains of the late Margaret Miller Davidson. Zie hier
Negen jaar later verscheen haar werk tezamen met die van haar zuster.

zaterdag 19 juli 2008

Christo Botev (1847 - 1876)



Christo Botev werd op 24 december 1847 te Kalofer, Bulgarije geboren als zoon van een schoolmeester, die was opgeleid in Rusland en zelf ook schreef en vertaalde.

In 1863 werd Botev naar Odessa gestuurd om te studeren, maar hij toonde weinig interesse in zijn studie. Hij verdiepte zich liever in het werk van socialisten & anarchisten zoals Charles Fournier, Saint Simon, Proudhon, Nakunin & Marx en ontwikkelde radicale sociale ideeën , waardoor hij op een gegeven moment niet langer meer welkom was als student te Odessa.

Hij verliet Bulgarije (Toen nog een Turkse Provincie) op 17 jarige leeftijd en leefde in Rusland, alwaar hij onder andere werkte als onderwijzer in kleine boerengemeenschappen, maar werd ook daar gesommeerd te vertrekken vanwege zijn stevige speeches tegen het sociale onrecht.

Hij keerde terug naar Kalofer alwaar hij geregeld de klassen van zijn vader overnam. Maar hetzelfde verhaal herhaalde zich ook hier. Zijn kritische ideeën werden niet door een ieder gedeeld & vertrok wederom naar Rusland, om uiteindelijk in Roemenie te belanden, alwaar hij zich aansloot bij een groep van Bulgaarse verbannelingen. Hier richtte hij verschillende bladen op. Zijn journalistieke werk was vooral gericht op de Nationale zaak en revolutie. Gedurende zijn tijd in Roemenie, waar hij betrokken was bij het Bulgaars revolutionair comité, die het plan hadden opgevat om Bulgarije te bevrijden doormiddel van een opstand & bijgestaan door militaire groepen die in het buitenland werd opgeleid.

Op zijn 25e werd hij voorzitter van het Bulgaars revolutionair comité in Boekarest & publiceerde zijn eerste boek in 1875.

Een jaar later werd hij vermoord in het westen van Bulgarije (nabij Vola) waar hij als leider van 200 revolutionairen heen was getrokken om tegen de Turkse troepen te vechten.

Botev schreef niet meer dan 22 gedichten, maar deze worden nog steeds gelezen. Daarnaast schreef hij een enorme hoeveelheid aan essays & politieke artikelen.

donderdag 17 juli 2008

Jaap Sickenga (1918 - 1942)



Jacob (Jaap) Sickenga werd geboren op 14 juli 1918 te Haarlem. Als Jaap vijf jaar is verhuist het gezin naar Bilthoven, alwaar zijn vader een riante woning heeft neergezet. Hij studeert enige tijd in Wageningen en besluit dan om, via staatsexamen, Nederlandse taal- & letterkunde te gaan studeren.



Dan breekt de tweede wereldoorlog uit en sluit hij zich al vroeg aan bij het verzet. Hij woont dan in een kamer achter de garage aan het einde van de oprit naast het ouderlijk huis. Op die zolder zendt hij voorjaar 1941 met een zender die zijn vriend, adelborst Hans Zomer, geparchuteerd vanuit Engeland mee had gebracht, berichten naar Londen. Op de verjaardag van Koningin Wilhelmina - 31 augustus 1941 werd hij tezamen met Hans door de Gestappo gearresteerd en in Scheveningen (Oranje Hotel) gevangen gezet, waar hij tot het einde van maart 1942 verbleef.

Met rond 25 verzetsmensen wordt Jaap eind maart 1942 vanuit Scheveningen naar Maastricht gebracht. Ze worden daar in het klooster der Minnebroeders berecht en 24 van hen worden op 22 april 1942 ter dood veroordeeld wegens spionage. Op 11 mei 1942 werd in kommando Oranienburg nabij Sachsenhausen tezamen met de anderen gefussilieerd, alwaar hun stoffelijk overschot gecremeerd zou worden.



Jaap schrijft na zijn ter dood veroordeling door de Duitse militaire rechtbank tot zijn uiteindelijk terechtstelling, in Maastricht een gedichtenbundel vanuit de gevangenis die hij opdraagt "aan hen, met wie ik tezamen in Maastricht was". Deze bundel (ISBN 907237004) werd in beperkte oplage in 1997 bij de onthulling van een plaquette in Maastricht (zie foto) uitgereikt aan de dan nog levende nabestaanden. (de teksten zijn ook na te lezen op de http://www.sickenga/)



Enkele gedichten werden in 1945 reeds gepubliceerd onder de titel "vier jaar....." Sickenga's gedichten werden geschreven als verzetsdaad & circuleerde anoniem onder het pseudoniem Memento Vivere (Gedenk te leven).

Op de vroege ochtend van 11 mei 1942 schreef hij nog een afscheidsbrief :



dinsdag 15 juli 2008

Raymond Radiguet (1903 - 1923)



Raymond Radiguet werd geboren op 18 juni 1903 te Parc de Saint Maur & overleed twintig jaar oud aan tyfus op 12 december 1923 te Parijs.

Schreef op zijn veertiende reeds de gedichten die het waard waren in bloemlezingen opgenomen te worden. In 1918 arriveerde hij op vijftienjarige leeftijd te Parijs, zwierf wat op straat rond & probeerde onderdak te vinden bij kunstenaars die hem ook maar enigszins goedgezind waren. Werd door de dichters Max Jacob & Jean Coctea opgevangen & geïntroduceerd in het literaire wereldje. zo werden er al snel gedichten van hem gepubliceerd in sic. Ondanks alle nieuwe bewegingen van dat moment in Parijs, wenst Radiguet zich vast te houden aan de meer klassieke traditie binnen de poëzie. Voornamelijk het achttiende eeuwse neo classisisme. Later zou dit door Cocteau weer in de mode gebracht worden. Radiguet wilde niets liever dan volwassen zijn & gaf zich op zijn vijftiende dan ook uit voor achttien. Hij debuteerde in 1920 met Les Joues & feu (poezie) Het boek werd in een luxe editie gepubliceerd met vier etsen van Jean Victor Hugo. In datzelfde jaar verhuisde hij naar het visserdorpje Casqueiranne nabij Toulon & later naar Piquey, alwaar hij verschillende gedichten schreef en aan zijn eerste romane begon te werken.

1921 - Devoirs de vacances (poëzie brochure met illustraties van Irene Lagut, werd door Editions de la Sirene gepubliceerd)
1921 - Les Pelicans (toneelstuk) (gepubliceerd in zeer beperkte oplagen)
1923 - Le diable au corps - de publicatie van dit boek was een groots succes - zowel voor als tegenstanders waren het er over eens, dat zo'n schrijftalent maar een paar keer per eeuw voorbij komt - Een boek dat vandaag de dag nog steeds gelezen wordt. Men kan dan ook niets anders zeggen, dan dat het hier om een klassieker, een meesterwerk gaat.

Later dat jaar liep Radiguet tyfus op in Parijs, kort daarop overleed hij.

Enkele dagen voor zijn dood vertelde hij een vriend "luister, ik heb je iets verschrikkelijks te vertellen, in drie dagen tijd wordt ik doodgeschoten door de soldaten van God". Hij stierf één dag voor op schema.

1924 - le bal du comte dórgel (postuum) - dit boek werd wederom zeer goed ontvangen.

The language of the flowers or the stars

I stayed for a while in a house together with twelve young
girls, each of whom resembled a month of the year. I
could dance with them, but that was my only privelege;
even the right to talk was refused me. One rainy day, to take
my revenge. I presented each of them with flowers brought
back from farr-off lands. T o a few of them, my motive was
plain. After they died, I dressed up as a bandit to intimidate
the others. They deliberately ignored my costume. When
summer came, we all went for walks outdoors. We'd count
the stars, each of us using his own method. When I counted
one too many. I kept silent.
Should the rainy season have ended by now? The sky
draws shut once more. Your ears aren't so finely attuned.

© Raymond Radiguet
(vertaald door Alan Stone)

maandag 14 juli 2008

Jacob Hiegentlich (1907 - 1940)



Jacob Hiegentlich werd geboren op 30 juli 1907 in Roermond, alwaar hij opgroeit in een milieu van tot het Roomskatholicisme bekeerde Joden. Op vijftien jarige leeftijd debuteerde hij met de in het Duits geschreven dichtbundel "die rote nacht". Daarna volgen de romans het zotte vleesch (1925) , het vochtige park (1935), Onbewoonbare wereld (1937) & Schipbreuk te Luik (1938). Verder publiceert hij in bladen als Joodse bladen als de Joodse wachter, het orgaan van de Nederlandse Zionisten bond & verschenen zijn gedichten in de Nieuwe Gids (1929)

Hiegentlich was werkzaam als leraar Nederlands aan het lyceum te Naarden, maar vanaf 1935 richtte hij zich volledig op zijn letterkundig werk.

Hij was een overtuigd zionist en een groot bewonderaar van Jacob Israël de Haan.

In de nacht van 14 op 15 mei 1940, toen Nederland gecapituleerd had voor de Duitsers, nam hij vergif in in zijn woning te Amsterdam. Hij overleed zonder nog bij bewustzijn te zijn geweest, op zaterdag 18 mei 1940 in het Wilhelmina gasthuis te Amsterdam.

Postuum verscheen zijn roman met de stroom mee (1946). Het boek handelt over de Zuid Limburgse & Rooms Katholieke Louis / Lode die zicht steeds sterker aangetrokken voelt tot het nationaal socialisme. Hiegentlich is zich dus zeer bewust geweest van het gevaar dat een Duitse aanval zou betekenen voor de Joodse Gemeenschap. Een gegeven dat ook in veel van zijn polemische en kritische stukken aan bod zou komen. Zijn wanhoopsdaad verklarende.

Sandor Petofi (1823 - 1849)


Sandor Petofi werd geboren op 1 januari 1823 in Kiskörös als Sandor Petrovics. Zoon van een Hongaarse vader Istvan Petrovics slager en kroegbaas en een Sloveense moeder Maria Hruzova. Toen hij twee was verhuisde het gezin naar kiskunfelegyhaza, dat hij altijd als zijn geboorteplaats is blijven beschouwen.

Vader Petrovics had er altijd op gestaan dat Sandor een goede opleiding zou krijgen, maar in 1838 sloeg het noodlot toe in de vorm van een overstromende Danube en een faillissement, waardoor het gezin al hun geld verloor en Sandor het lyceum diende te verlaten.
Hieropvolgend werkte hij in de theaters van Pest en trok door het land met een theatergezelschap. Na korte tijd als leraar werkzaam geweest te zijn melde hij zich aan voor dienst in het Oostenrijkse leger. Na een periode van ziekte werd hij in 1841 ontslagen.

Na enkele rusteloze omzwervingen begon hij weer te studeren. Gedurende zijn studie publiceerde hij zijn eerste gedichten eerst onder zijn eigen naam, maar al snel nam hij de naam Petofi aan. Hoewel zijn gedichten goed ontvangen werden bleef zijn hart uitgaan naar het theater. In 1842 sloot hij zich dan ook weer aan bij een rondtrekkend theatergezelschap. Tot hij ook zelf in begon te zien dat hij een beter dichter dan acteur was.
Hij vestigde zich weer in Pest en ging naarstig op zoek naar een uitgever, die snel gevonden bleek, aangezien zijn gedichten steeds populairder werden.

In 1846 ontmoette hij Julia Szendrey met wie hij datzelfde jaar nog trouwde. Al had de vader van de bruid dat liever anders gezien.

Gedurende de Hongaarse revolutie naam hij de wapens weer op, in de strijd voor een onafhankelijk Hongarije. Gedurende de Slag om Segesvar op 31 juli 1849 verdween hij. Zijn lichaam werd nooit gevonden.

zondag 13 juli 2008

Hirsch Glik (1922 - 1944)

Hirsch Glik werd in 1922 (hoewel er ook bronnen zijn die melding maken van 1920) in het Litouwse Vilna geboren als zoon van Joodse ouders. Zijn vader was aldaar werkzaam als voddenboer annex handelaar in tweede hands kleding. Op zijn dertiende begon Hirsch met het schrijven van gedichten en was mede-oprichter van een genootschap voor jonge dichters. Voor korte tijd heeft hij gestudeerd maar diende zijn studie te staken door de heersende armoede die ook het gezien Glik getroffen had, waardoor hij noodgedwongen een baantje diende te zoeken. Eerst in de papier-verwerkingsindustrie, en later in een ijzerwinkel.

Toen de duitsers Vilna bezetten in 1941, werd hij gearresteerd en gevangen gezet om later doorgevoerd te worden naar het in een moeras gelegen kamp Waisse Wake, alwaar de gevangenen de gehele dag turf diende te sjouwen. Toen het kamp gesloten werd, brachten de Duitsers hem weer terug naar het Ghetto van Vilna. Waar hij werkzaam was voor de ondergrondse Partizaanse beweging FPO, deelnam aan de opstand van 1942 en zich veelvuldig bewoog binnen de literaire en artistieke cirkels.

In september 1943 werd hij op transport gezet naar een van de vele concentratiekampen in Estland, waar vele gevangen overleden ten gevolge van de erbarmelijke leefomstandigheden.

Ondertussen bleef Glik zijn gedichten vervaardigheden op elk materiaal dat hij maar voor handen kreeg. In 1944 ontsnapte hij, toen de Russen het kamp omsingelde, en deed een poging de Partizanen te bereiken, maar verdween. Naar alle waarschijnlijkheid is nog ten prooi komen te vallen aan vijandige soldaten in de omgeving.

Zijn gedicht "Zog Nit Keyn mol, as du gejsst dem letzn weg" (Partizaner Lied) werd de hymne van de ondergrondse beweging. Het lied werd in vele kampen gezongen, gespeeld en gehumd, aangezien het in enkele regels de ziel, de essentie van het Joodse verzet blootlegde. Zoals gezegd kende veel gevangen de gedichten van Glik uit het hoofd en gaven die vervolgens dan weer door aan anderen. Naast het partizanerlied gold dat bijvoorbeeld ook voor het gedicht "Shtil, di nakht iz oyzgesthermt , dat door vrienden werd verstopt en in het kort verhaalt over de heroische daden van Vitke Kempner, een vrouwelijke verzetsheldin, die deelnam aan het opblazen van een trein met daarin zo'n tweehonderd Duitse soldaten. De eerste succesvolle sabotage actie van de ondergrondse beweging te Vilna. Anderen werden begraven teruggevonden in het Ghetto van Vilna, maar het grootste deel van zijn oeuvre wordt verloren gewaand.

The Partisan's Hymn

Never say that there is only death for you
though leaden skies may be concealing days of blue
because the hour that we have hungered for is near;
benaeath our tread the earth shall tremble: we are here!

From land of palmtree tot the far off land of snow
we shall be coming with our torment and our woe,
and everywhere out blood has sunk into the earth
shall our bravery, our vigor blossom forth!

We'll have the morning sun to set our day aglow,
and all our yesterdays shall vanish with the foe,
and if the time is long before the sun appears,
then let this song go like a signal through the years.

This song was written with our blood and not with lead;
it's not a song that summer birds sing overhead.
It was a people, among toppling barricades,
that sang this song of ours with pistols and grenades.

So never say that there is only death for you.
Leaden skies may be concealing days of blue -
yet the hour that we have hungered for is near;
beneath our tread the earth shall tremble: we are here!

© Hirsch Glik

zaterdag 12 juli 2008

Oliver Madox Brown (1855 - 1874)


(Oliver Madox Brown getekend door zijn vader op 22.01.1855)

Oliver Madox Brown werd op 20 januari 1855 te Finchley, Middlesex als zoon van de schilder Ford Madox Brown & diens tweede vrouw Emma Hill.

Oliver die luisterde naar de roepnaam Nolly, groeide op als een enigszins eigenaardig joch, dat een rat als huisdier had & 's nachts vaak lange wandelingen maakte, geregeld vergezeld door diens vriend, de blinde dichter Philip Bourke Marston (1850 - 1887).

Begon poezie & proza te schrijven op zijn 13e en exposeerde de daaropvolgende jaren verschillende schilderijen in the Royal Academy & Londense galleries.

Gabriel Denver (1873) zijn eerste prozastuk, was het enige dat hij gedurende zijn korte leven ooit zou publiceren.

Hij stierf op 05 november 1874, slechts 19 jaar oud, aan bloedvergifing, naar men aanneemt door jarenlange blootstelling aan verontreinigde lucht in een ondergrondse stal, die precies onder zijn slaap en studeerkamer was gevestigd.

Hij liet 2 onafgeronde romans, verschillende verhalen en gedichten achter, die in 2 delen door William M Rossetti (zijn zwager) & Francis Hueffer verzameld werden onder de titel: The dwale bluth, Hedbitah's legacy & other literary remains (1876)

Sonnet

No more these passion-worn faces shall men's eyes
behold in life. Death leaves no traces behind
of their wild hate and wilder lover, grown blind
in desperate longing, more than the foam which lies.

Splashed up awhile where showered spray descries
the waves whereto their cold limbs where resign'd;
yet over doth the sea-wind's undefin'd
vaque wailing shudder with their dying sighs.

For all men's souls 'twixt sorrow and love are cast
as on the earth each lingers his brief space,
while surely nightfall comes where each man's face

in death's obliteration sinks at last
as a deserted wind-tossed sea's foam-trace--
life's chilled boughs emptied by death's autumn-blast.

© Oliver Madox Brown

vrijdag 11 juli 2008

Josip Murn (1879 - 1901)


Josip Murn Aleksandrov werd op 4 maart 1879 te Ljublijana geboren als een onecht kind van een meid die de zorg over haar zoon aan pleegouders overdroeg. Zo werd hij al in zijn vroege jeugd gestigmatiseerd met het feit dat hij een onecht kind was en dat andere mensen voor hem moesten zorgen. Meestal woonde hij in Ljubljana en op het platteland vlakbij Ljubljana. Op het laatst verhuisde hij naar de beroemde “studentenmoeder” Polona Kalan, bij wie ook de Sloveense dichter Dragotin Kette woonde. Na de aardbeving in 1895 verhuisde Polona van de Poljanskastraat naar Cukrarna, een oude verlaten suikerfabriek in Ljubljana.

Na de maturiteitsexamens kreeg hij een beurs van de handelskamer en ging hij naar Wenen om te studeren. Hij schreef zich in voor de handelsacademie, maar hij maakte zijn studies niet af. Daarna begon hij ook rechtsgeleerdheid te studeren maar hij verloor zijn beurs en kon de studie in Wenen niet afmaken. Hij probeerde ook in Praag, maar zijn wensen kwamen niet uit omdat hij door tuberculose ziek werd. Hij werkte in Ljubljana als ambtenaar. Hij probeerde zijn tuberculose te genezen in verschillende plaatsen op het platteland: in Cerklje in Gorenjska, in Vipava en in Bled, waar hij de dichteres Vida Jeraj leerde kennen. De behandelingen hadden echter geen succes. Ook omdat hij vanwege zijn slechte financiële situatie in heel moeilijke sociale omstandigheden gehuisvest was.

Hij stierf op 28 juni 1901 in Cukrarna, de oude suikerfabriek, op de leeftijd van 21 jaar en in hetzelfde bed als zijn vriend en dichter Dragotin Kette in 1899. Zijn vrienden, vooral zijn schoolgenoot en literaire historicus Ivan Prijatelj, beschreven hem als een eerlijke, lieve en ook naïeve mens die altijd opnieuw teleurgesteld werd. Ten eerste door zijn moeder, die niet voor hem wou zorgen, ten tweede door het leven in de stad, waarvan hij naar het platteland wilde verhuizen, en ten derde door zijn studiemislukking en de onbeantwoorde liefde voor Alma Souvan, dochter van een rijke handelaar in Ljubljana.

Hij onderhield ook vriendelijke contacten met de dichters Dragotin Kette en Oton Župančič en met de schrijver Ivan Cankar. Hij begon al te dichten op het gymnasium. Toen werd hij voor enige tijd lid van de literaire vereniging Zadruga en hij begon zijn gedichten te publiceren in de tijdschriften Angelček en Vrtec en later ook in de Ljubljanski zvon. Meestal publiceerde hij zijn gedichten onder het pseudoniem Aleksandrov. Hoewel hij zijn dichtbundel zelf had voorbereid en ook genoemd naar Pesmi in romance (Gedichten en romances), maakte hij de uitgave zelf niet meer mee. Het boek onder dezelfde titel en met een directe en op een degelijke manier geschreven inleidende essay werd na zijn dood uitgegeven door Ivan Prijatelj in 1903. Daarom werd Ivan Prijatelj bekend als de schrijver die Josip Murn voorstelde aan het bredere Sloveense publiek als de dichter van het modernisme.

Bron: NEDWEB

wees gegroet (voor Dragotin Kette)



in terracottapotten
vol herfst

lag ik
tot scherven
cadeau te zijn

je zong zo mooi
dat weet ik nog

iets van engelen

of dichterbij

© Jürgen Smit
25-08-2006

Dragotin Kette (1876 - 1899)



19 januari 1876 Prem - 26 april 1899 Ljublijana

Dragotin Kette was nog jong toen zijn moeder stierf (1880) & werd verder opgevoed door zijn vader, een schoolmeester die overigens in 1891 zou komen te overlijden. Een wees maar door weinig engelen gegroet.

Hij volgde de basisschool in Zagorje bij Pivka om vervolgens het Gymnasium & de kweekschool te Ljublijana te doorlopen. Een oom van Dragotin die de sterke wens koesterde hem tot Priester op te laten leiden nam de zorg over na de dood van de oude Kette.

Hij ging verder met zijn opleiding aan het gymnasium maar kwam in onmin met zijn oom nadat hij in het schooljaar 1893/94 satirische verzen had geschreven aan de bisschop van Ljublijana. Waardoor de dichter er verder alleen voorstond.Rond die periode werd Kette samen met de andere vertegenwoordigers van het Sloveense modernisme Ivan Cenkar, Oton Zupancic & Josip Murn (over wie later meer) lid van Zadruga, een illegale studentenbeweging te Ljublijana.
In 1885 werd hij beschuldigd van het schrijven van een liefdesbrief. Als straf moest hij het volledige leergeld betalen, waardoor hij zich genoodzaakt zag de studie te staken.

In de jaren 1895 tot 96 verdiende hij zijn brood als begeleider. Hij bracht in deze periode heel veel tijd door met Ivan Cankar. In 1896 begon hij onder verschillende pseudoniemen zijn poezie, proza en kinder - en jeugdliteratuur te publiceren in de tijdschriften Ljublijanski zvon, Slovenec, Nova nada, Angelcek en Vrtec. Met brieven bewaarde hij contacten mer vrienden uit Ljublijana. In deze periode was hij overigens ook verliefd op de vijftienjarige Angela Smola en zat hij tot over zijn oren in het werk. In 1898 legde hij zijn maturitetisexamens af en moest zich daarna melden in het leger te Triest, alwaar hij getroffen werd door TBC. Dodelijk ziek keerde hij terug naar Ljublijana en stierf in wat eens een suikerfabriek was, waar de hospita van zijn vriend Murn na de aardbeving van 1895 onderdak had gevonden en waar ze vaak jonge dichters in nood opving.

In 1900 werden zijn werken posthuum gepubliceerd.

Lodewijk Otto Huisinga (1958 - 1976)



Lodewijk Otto Huisinga werd geboren op 21 maart 1958 & overleed zeventien jaar oud te Havelte. Hij leed aan een vorm van spierdystrofie, die hem op acht-jarige leeftijd aan een rolstoel kluisterde.

Toen hij vijftien was begon hij met het schrijven van gedichtjes, die een jaar na zijn overlijden door zijn ouders gebundeld werden, waarmee een grote wens van hun zoon in vervulling kwam.

Het portret voor in het boekje (hierboven afgebeeld) is een zelfportret, want naast dichten schilderde en tekende Lodewijk klaarblijkelijk ook.

Soep

Sommige gedichten
zijn net een bord soep:
als na lang blazen
de damp er ten slotte
niet meer af slaat
blijkt het niets anders
dan een beetje troebel water
te zijn

en vaak ontbreken de ballen ook nog

© Lodewijk Otto Huisinga

Willem den Elger (1677 - 1703)



Willem den Elger werd geboren te 's-Gravenhage, waarschijnlijk in 1677 hoewel er ook enkele bronnen zijn die melding maken van het jaar 1679. Hij studeerde sinds 6 Oktober 1698 te Leiden en stierf reeds op 4 Februari 1703 te Rotterdam.

P.G.Witsen Geysbeek meldt in zijn Biographisch anthologisch en critisch woordenboek der Nederduitsche dichters (1822) onder andere het volgende over den Elger. "den Elger verdient eervolle vermelding onder de dichters van zijnen tijd, en zou waarschijnlijk bijaldien eene ongelukkige liefde niet onverwacht den draat van zijn jeugdige leven had afgesneden, aanmerkelijke vorderingen in de dichtkunst en fraaie letteren gemaakt hebben. Den Elger was een jongeman van een vluggen geest, juist oordeel, fijn gevoel, grondige geleerdheid en zuiveren smaak. Opgeleid tot het vak der regtsgeleerdheid en reeds met zijn negentiende jaar (Geysbeek ging er dus vanuit dat den Elger uit het jaar 1679 stamde) tot het meesterschap in dezelve bevorderd, paarde hij met de kennis der Latijnsche en Grieksche talen ook die der Fransche en Italiaansche, welke hij in een ongeloofelijk korten tijd zonder meesters aanleerde. Zijnen zinnebeelden der liefde en zijne gedichten en Rotterdansche Arkadia dragen blijken van eenen goeden dichterlijken aanleg in dezen jeugdige martelaar der liefde, wiens gedichten meestal op een zachten en tederen toon gestemd zijn. Niet dat op al het goede, dat wij daarvan zeggen, in onze tijd niets zou af te dingen zijn, maar wanneer men de tij, waarin hij bloeid, zijne jeugd en daarbij in aanmerking neemt dat hij alle, wat er van hem in het licht is, binnen den tijd van drie jaren heeft opgesteld, en het grootste gedeelte daavan na zijn dood door anderen is uitgegeven, die hunnen beschaaflust aan zijne voortbrengselen ontwijfelbaar niet wenig geboet hebben, zal men dezelven zoo streng niet beoordelen als die van een meer in jaren gevorderden dichter."

den Elger beroofde zich dus van het leven, waarmee hij de vroegst bekende zelfmoordenaar uit de Nederlandse literatuurgeschiedenis is. De reden voor den Elgers zelfmoord was geen onbeantwoorde liefde, zoals onder andere de hierboven geciteerde Geysbeek vermoedde, maar een verboden liefde. Over het hoe en wat van deze liefdesgeshiedenis is overigens weinig bekend. Standsverschil en het geloof zouden de voornaamste redenen geweest zijn. Zij was immers gereformeerd en hij katholiek. De naam van het meisje is onbekend. Hij sprak haar altijd dichterlijk aan met Leliaane. In een bewaard gebleven brief verzekert hij haar dat zijn liefde 'vermits uwe bevalligheden geen ogenblik uit mijne gedagten zijn, nog gestadig toeneemt, en dat ik duizend maal liever zou willen sterven als u verlaten, ja dat het mij onmogelijk zou zijn van u te scheiden als met de dood'. Den Elger hield zich aan zijn woord.

Hij schreef:

* Wagt me voor dat Laantje kluchtspel, n.h. Fr. van Regnier, Rott. 1698, herd.1708 en 1735;
* Pyrrhus, koning van Epieren, trsp. n.h. Fr. van Corneille, Rott. 1698, herdr. 1708 en 1735;
* Rotterdamsche Arcadia, Rott. 1699;
* Manlius, blij-eijndend treurspel, u.h. Fr. van Mad. Desjardins, Rott. 1699;
* Zinnebeelden der liefde, Leid. 1703, Amst. 1732;
* De dood van Cyrus, trsp. n.h. Fr. van Quinault, Rott. 1716, id. 1717;
* Gedichten en Rotterdamsche Arcadia, Amst. 1726.
Bronnen : DBNL & waar ligt poot, de Prom, 1997

donderdag 10 juli 2008

Johanna Constantia Cleve (1800 - 1822)



Johanna Constantia Cleve werd op 4 december 1800 te Dordrecht geboren als dochter van Joan Diderik Matthias Cleve, arts & Ida Agneta de Stoppelaar.

Al voor haar zevende zou ze zijn begonnen met het schrijven van gedichten, en volgens van der Aa (Parelen uit de lettervruchten van Nederlandsche dichteressen - Amsterdam 1856) "was zij door eene onweerstaanbare zucht voor de poezij bezield". Haar ouders onderkenden haar talent en haar vader - lid van het Haagse dichtgenootschap "kunstliefde spaart geen vlijt" - wierp zich op als mentor. Ongetwijfeld zorgde hij ervoor dat ze op haar negende de jongste aankwekeling werd van dit genootschap. Zij mocht er haar gedichten voorlezen en won diverse aanmoedigings- en ereprijzen. Op elfjarige leeftijd publiceerde zij haar eerste bundel "Jeugdigde dichtproeven" (1813) met een voorbericht van de Haagse dichter Mr. Thomas van Limburg. Hij loofde haar 'jeugdig dichtvernuft' en voorzag voor haar een mooie toekomst. In 1815 werd zij officieel lid van "kunstliefde spaart geen vlijt".

In 1817 kwam de bundel "Lentebloemen" bij intekening uit. Elk exemplaar was door de dichteres persoonlijk gesigneerd. In het voorwoord, eveneens van haar hand, herdacht zij haar inmiddels overleden mentor van Limburg.

op 14 februari 1822 stierf Cleve, slechts 21 jaar oud, te Leiden. Haar gedicht "Het klaverblad van vieren (aan drie vriendinnen), met gitaarbegeleiding, verscheen postuum in de Muzen-Almanak van 1825. Haar vroege dood versterkte haar faam als veelbelovend maar te jong overleden dichteres.

Bronnen : Digitaal vrouwenlexicon van Nederland

woensdag 9 juli 2008

Casimiro de Abreu (1839 - 1860)



Casimiro Jose Marques de Abreu werd als zoon van Jose Joaquim Marques de Abreu, een portugese zakenman & D. Luiza Joaquina das Neves op 4 januari 1839 geboren te Barra de Sao Jao in de Provincie Rio de Janeiro. Hij doorliep de basisschool te Nova Friburgo alvorens het gezin verhuisde naar Rio, alwaar hij op dertien jarige leeftijd bij zijn vader ging werken.

In 1853 vertrok hij per zeilboot naar Portugal, alwaar hij in contact kwam met de intelligentia van die dagen, en het grootste deel van zijn oeuvre zou componeren. In 1856 verscheen te Lissabon zijn stuk Camoes e o Jaú op de planken, snel daarna zou het overigens ook in boekvorm het levenslicht zien.

In 1857 keerde hij terug naar Brazilië, om aan de slag te gaan in het warenhuis van zijn vader, maar bleef nauw betrokken in het boheemse leven. Hij schreef voor verschillende kranten en raakte bevriend met onder andere Machado de Assis. Trad in deze periode eveneens toe tot de Braziliaanse academie voor de letteren.

Leidend aan TBC, trok hij zich terug op de boerderij van de familie te Indaiacu, waar hij trachtte te herstellen van zijn ziekte. In 1859 publiceerde hij zijn verzamelde gedichten onder de titel "As Primaveras".

Hij stierf op 16 oktober 1860 op een boerderij nabij zijn geboortestad.
Casimiro de Abreu was een van de meest populaire dichters van zijn tijd, een status die hij in het hedendaagse Brazilië overigens nog steeds heeft.