dinsdag 15 december 2009

John Breakenridge, Canada (1820 - 1854)

John Breakenridge werd in het jaar 1820 te Niagara geboren en volgde zijn opleiding aan het Upper Canada College, alwaar hij de jaarlijkse Poëzieprijs ontving voor zijn gedicht Canada, dat nadien in verschillende Canadese kranten op aanvraag herdrukt werd. (vooralsnog geen enkel spoor van zijn gedichten - maar mocht ik het ergens aantreffen, dan zal het alhier zeker toegevoegd worden) Hij studeerde rechten en opende een praktijk in Kingston. In 1843 trouwde hij met Anne Stevenson te Niagara. Een jaar later werd een zoon geboren. Onder de naam Claud Halcro publiceerde hij veel poëzie, recensies en kritieken in de locale kranten. Zijn recensies en kritieken werden hem vaak niet in dank afgenomen, waardoor hij veelvuldig in de clinch lag met collega dichters en andersoortige kunstbroeders.

The Crusades and other poems by John Breakenridge of Osgoode Hall werd gepubliceerd in Kingston in het jaar 1846. Aangezien hij zich op pagina 154 uiteindelijk identificeerde met Claud Halcro waren de critici er snel bij en lieten er weinig van over.

maandag 12 oktober 2009

John Gardiner Calkins Brainard, USA (1796-1828)



Brainard werd geboren in New London, Connecticut op 21 oktober 1796. als zoon van rechter Jeremiah Brainard.

Na zijn opleiding op Yale (tot die tijd was hij thuis onderwezen door een oudere broer) begon hij zelf ook aan een studie rechten. Maar na korte tijd in de praktijk van zijn broer te hebben gewerkt. vertrok hij naar Middletown. Naar alle waarschijnlijkheid om een eigen praktijk te beginnen, maar hij liet de advocatuur in 1822 reeds achter zich, om redacteur te worden van het weekblad the Connecticut Mirror. Hier bleek hij al snel meer oog te hebben voor de letteren en de kunst in zijn algemeenheid dan de politiek, een onderwerp dat dan ook een steeds minder prominte rol in het blad zou krijgen.

In 1825 verscheen een eerste editie van Poems welke gepubliceerd werd in New York. De reacties hierop waren positief te noemen. Niet lang daarna werd er tuberculose bij hem geconstateerd, waardoor hij gedwongen werd de redactie te verlaten en zich terug te trekken aan de kust, alwaar hij in het huis van zijn vader op 26 september 1828 zou komen te overlijden.
Tot aan zijn dood bleef hij overigens vrij productief.

In 1832 verscheen een tweede editie van Poems, getiteld Literary remains, waarin ook een biografische schets door Whittier is opgenomen. Deze editie is hier na te lezen. In 1842 zou er nog een derde editie verschijnen.

Klik hier om door een editie uit 1847 te bladeren.

Stanzas

THE dead leaves strew the forest walk,
And whither'd are the pale flowers;
The frost hangs blackening on the stalk,
The dew-drops fall in frozen showers.
Gone are the spring's green sprouting bowers,
Gone summer's rich and mantling vines,
And autumn, with her yellow hours,
On hill and plain no longer shines.

I learned a clear and wild-toned note,
That rose and swell'd from yonder tree--
A gay bird, with too sweet a throat,
There perch'd and rais'd her song for me.
The winter comes, and where is she?
Away--where summer wings will rove,
Where buds are fresh, and every tree
Is vocal with the notes of love.

Too mild the breath of southern sky,
Too fresh the flower that blushes there,
The northern breeze that rustles by
Finds leaves too green, and buds too fair;
No forest tree stands stripp'd and bare,
No stream beneath the ice is dead,
No mountain top, with sleety hair,
Bends o'er the snows its reverend head.

Go there, with all the birds, and seek
A happier clime, with livelier flight,
Kiss, with the sun, the evenings cheek,
And leave me lonely with the night.
I'll gaze upon the cold north light,
And mark where all its glories shone,--
See--that it all is fair and bright,
Feel--that it is all cold and gone.

© John Gardiner Calkins Brainard

maandag 7 september 2009

Ben Bowen, Wales (1878-1903)



Ben Bowen werd geboren op 19 oktober 1878 te Treorchy, Rhondda als zesde kind van Thomas & Dinah Brown. hij volgde zijn opleiding aan Treorchy Board School, Pontypridd Collegiate School, en Cardiff University College.

Werkzaam in de mijnbouw zag hij in de poëzie een mogelijkheid om aan zijn dagelijkse bestaan te ontvluchten. Beïnvloed door de dichters die hij las begon hij reeds op jonge leeftijd zelf ook te schrijven. Op zijn achtiende won hij verschillende poezie prijzen, en verwierf hij zich de titel van belofte binnen de literaire cirkels te Wales. in 1897 verliet hij de mijnen om zich op te storten op het priesterschap. In datzelfde jaar publiceerde hij een kleine bundel gedichten met de titel "Durtur Y Deffro" In juli 1899 kreeg hij zodanige last van zijn gezondheid, waardoor hij niet in staat bleek zijn eerste jaar succesvol af te ronden.

In 1900 trok hij de nodige aandacht met zijn gedicht "Pantycelyn". (die ik vooralsnog jammer genoeg nog niet heb weten te traceren) In de periode 1901-1902 verbleef hij in Zuid Afrika, alwaar hij veel bleef schrijven, zowel poëzie als artikelen over religie, kunst & wetenschap. Aangezien hij in die artikelen verschillende malen zijn vraagtekens plaatste bij de wijze waarop het geloof geïnterpreteerd en ten uitvoer werd gebracht, werd hem bij terugkeer in Wales een halt toegeroepen door de kerk en krijg hij te horen daar niet langer welkom te zijn. Ondertussen ging het steeds slechter met zijn gezondheid. Hij overleed op 16 augustus 1903 te Ton Pentre.

Louis Boumal, Belgie (1890 - 1918)



Louis Boumal werd geboren te Luik op 11 Mei 1890 en overleed tengevolge van de Spaanse Griep op 29 Oktober 1918 te St.Michiels-Brugge.

Hij studeerde filosofie en literatuur aan de universiteit van Luik. Na zijn studies wordt hij Rethorica Professor aan het Atheneum van Bouillon.

Bij het uitbreken van de eerste wereldoorlog maakt hij deel uit van het Belgische leger,hij wordt in 1916 onderscheiden met het Oorlogs-Kruis,en posthuum in 1919 met de medaille van de overwinning en in 1921 benoemd tot Ridder in de Leopoldsorde met Palm.

Veel van zijn gedichten schreef hij aan het front,te Calais,te Alverdinghe of te De Panne,en hebben dan ook een karakter van een zekere neerslachtigheid.

In 1917 heeft Louis Boumal achter het front,samen met de dichter Lucien Christophe,de componist Georges Antoine en de Prof.Marcel Paquot,een Poëzietijdschrift opgericht,

donderdag 3 september 2009

Christo Botev, Bulgarije (1847-1876)




Christo Botev werd op 24 december 1847 te Kalofer, Bulgarije geboren als zoon van een schoolmeester, die was opgeleid in Rusland en zelf ook schreef en vertaalde.

In 1863 werd Botev naar Odessa gestuurd om te studeren, maar hij toonde weinig interesse in zijn studie. Hij verdiepte zich liever in het werk van socialisten & anarchisten zoals Charles Fournier, Saint Simon, Proudhon, Nakunin & Marx en ontwikkelde radicale sociale ideeën , waardoor hij op een gegeven moment niet langer meer welkom was als student te Odessa.

Hij verliet Bulgarije (Toen nog een Turkse Provincie) op 17 jarige leeftijd en leefde in Rusland, alwaar hij onder andere werkte als onderwijzer in kleine boerengemeenschappen, maar werd ook daar gesommeerd te vertrekken vanwege zijn stevige speeches tegen het sociale onrecht.

Hij keerde terug naar Kalofer alwaar hij geregeld de klassen van zijn vader overnam. Maar hetzelfde verhaal herhaalde zich ook hier. Zijn kritische ideeën werden niet door een ieder gedeeld & vertrok wederom naar Rusland, om uiteindelijk in Roemenie te belanden, alwaar hij zich aansloot bij een groep van Bulgaarse verbannelingen. Hier richtte hij verschillende bladen op. Zijn journalistieke werk was vooral gericht op de Nationale zaak en revolutie. Gedurende zijn tijd in Roemenie, waar hij betrokken was bij het Bulgaars revolutionair comité, die het plan hadden opgevat om Bulgarije te bevrijden doormiddel van een opstand & bijgestaan door militaire groepen die in het buitenland werd opgeleid.

Op zijn 25e werd hij voorzitter van het Bulgaars revolutionair comité in Boekarest & publiceerde zijn eerste boek in 1875.

Een jaar later werd hij vermoord in het westen van Bulgarije (nabij Vola) waar hij als leider van 200 revolutionairen heen was getrokken om tegen de Turkse troepen te vechten.

Botev schreef niet meer dan 22 gedichten, maar deze worden nog steeds gelezen. Daarnaast schreef hij een enorme hoeveelheid aan essays & politieke artikelen.

dinsdag 1 september 2009

Lauro de Bosis, Italie (1901 - 1931)



Lauro de Bosis werd geboren op 9 december 1901 te Rome als zoon van de dichter Adolfo de Bosis, die tevens de werken van Homerus, Shelley & Walt Whitman in het Italiaans vertaalde, & Lillian Vernon. Daarnaast was zijn vader redacteur van een van de belangrijkste literaire periodieken van die tijd, "Il Convito". Hierdoor was het dan ook niet meer dan normaal dat er continu prozaïsten, dichters en andere literatoren bij het gezin de Bosis, waarvan Lauro de jongste was, over de vloer kwamen.

Hij studeerde klassieke talen, scheikunde, filosofie & antropologie & doceerde te Harvard. Op zijn twintigste had hij reeds drie Griekse tragedies vertaald in het Italiaans.

In 1927 schreef hij zijn eigen Poëtische Drama " Icaro" waarvoor hij in 1929 (?) te Amsterdam een Olympische medaille ontving in de categorie poëzie. Verder stelde hij in deze periode voor the Oxford University Press The Golden Book for Italian Poetry samen & keerde hij weer terug naar Italie alwaar hij in 1928 een van de medeoprichters van een antifasistische alliance was.

Hij overleed op 3 oktober 1931 toen het vliegtuig waarmee hij anti-fascistische pamfletten boven Rome had uitgestrooid neerstortte voor de kust van Corsica. Zijn lichaam is nooit teruggevonden. Sommige bronnen spreken van zelfmoord. Voornamelijk aangezien hij op de ochtend van die derde oktober een document, getiteld: "Het verhaal van mijn dood" naar een vriend in Brussel had gestuurd, met het verzoek deze te laten publiceren indien hij niet meer terug zou keren. Of was het niet veel meer dan een slecht voorgevoel.

Maria Bosch, Nederland (1741-1773)



08-01-1741 Amsterdam
19-11-1773 Amsterdam

Maria Bosch was het derde en laatste kind van Olphert Bosch (1689-1757), makelaar, en diens derde vrouw Jacomijntje van der Horst (1697-1778). Zelf zou ze ongetrouwd blijven.

Haar ouders behoorden tot de vrijzinnige doopsgezinde gemeente van ’t Lam en de Toren, waar behalve Maria ook haar twee broers werden gedoopt. In februari 1769 liet de toekomstige schrijfster en dichteres Agatha Deken zich inschrijven bij de gemeente van ’t Lam en de Toren en mogelijk heeft Maria Bosch haar daar leren kennen. Maria’s eerste gedicht voor Agatha is uit 1769. Vanaf 1770 was Agatha Maria’s ‘compagne’ en woonde zij in bij de familie Bosch. Ook verzorgde zij Maria, die wegens een zwakke gezondheid geregeld aan bed gekluisterd was. Bijna vier jaar lang schreven ze samen gedichten.

Niet de vriendschap tussen Maria Bosch en Agatha Deken, maar het stoffelijk bewijs daarvan, neergeslagen in hun gezamenlijke bundel Stichtelijke gedichten (1775), is de voornaamste reden dat ook Bosch’ naam aan latere generaties is overgeleverd. Bosch’ aandeel in deze door Deken na Maria’s dood samengestelde bundel is bescheiden. Niet alleen kwantitatief: haar verzen vullen 78 van de 420 pagina’s (23 gedichten, inclusief een die ze samen geschreven hadden), maar ook kwalitatief: een beperkt woordarsenaal, vaak terugkerende identieke beeldspraak, rijmparen en zinswendingen.

De vroegste gedichten van Maria Bosch dateren uit 1768: Naast poëzie waarin de plichten van een christen worden beschreven en vermeende verzakers daarvan streng worden toegesproken bevat de Stichtelijke gedichten ook verzen die zijn geënt op de wekelijkse godsdienstbeoefening. De helft van Bosch’ gedichten bestaat uit gelegenheidsgedichten, waarin ze met name verjaardagen aangreep om haar genegenheid voor de ander te verwoorden. Met name in dit type poëzie blijkt Bosch zich vanaf 1770tot en met haar laatste gedicht van 10 december 1772 als dichteres te ontwikkelen. Ze schreef steeds makkelijker, kreeg een lossere toon en bracht vaker haar eigen gedachten onder woorden, óók over andere dan godsdienstige onderwerpen.

Het meest gepassioneerd echter zijn Maria’s verzen voor haar vriendinnen Maria en Femmina Bavink en Agatha Deken. Zij voelden zich door liefde, deugd en godsdienst onverbrekelijk, ‘met ziel en zinnen’ verbonden. Keer op keer bonden ze de strijd aan om hun diepgevoelde ‘zustermin’ niet door driften te laten overheersen. Of zoals Bosch voor Deken dichtte: ‘Wij zijn veréénd van hart, veréénd in wil en pogen./ Welaan, mijn hartvriendin,/ Wie ’k als mij-zelf bemin!/ Kom, vestig nevens mij op ’s hemels vreugd uwe ogen’ (stichtelijke gedichten 145)

Maria Bosch moet regelmatig op het randje van de dood hebben vertoefd. Zo dichtte Deken in 1770 voor Bosch’ verjaardag: ‘Schep moed, vriendin! Nog weinig dagen,/ En ’t strijdend leven is voorbij./ Waarom toch zoudt gij hooploos klagen?/ Haast leeft gij eeuwig vrij en blij’ (Stichtelijke gedichten, 163). Een jaar later klonk het: ‘Maria zal met de englen zingen,/ In ’t eeuwigdurend rijk’ (idem, 192). Maar pas in november 1773 was Bosch’ strijd gestreden. Uit Dekens uitvoerige verslag-in-dichtmaat ‘over het zalig afsterven van Maria Bosch’ (idem, 397-420) blijkt dat zij overleed aan ‘kinderpest-vuur’ (kinderpokken?). Op zaterdag 27 november 1773 werd Maria Bosch begraven op het Noorderkerk-kerkhof.

Gedichten van Maria Bosch zijn opgenomen in enkele poëzie-bloemlezingen, meest recent nog door Gerrit Komrij (1986). Pas sinds de jaren negentig van de twintigste eeuw is er aandacht voor Maria Bosch zelf. Tot die tijd werd ze consequent tegenover Deken geplaatst en behandeld als haar mindere in dichtkwaliteit.

Maria Bosch en Agatha Deken, Stichtelijke gedichten (Amsterdam 1775), die hier in zijn geheel is na te lezen.

bron : http://www.inghist.nl/

maandag 31 augustus 2009

Giosue Borsi, Italië (1888 - 1915)



10.06.1888 Livorno
10.11.1915 Gorizia

Giosue Borsi werd geboren in Livorno als zoon van Averado Borsi en Verdiano Fabri. Reeds op jonge leeftijd bleek hij aanleg voor het schrijven te hebben. Nadat hij rond zijn vijftiende in eigen beheer twee dichtbundels had uitgegeven, (zijn eerste uitgave was overigens een kinderboek "Il captain spaventa" welke hij zelf illustreerde) maakte hij zijn literaire debuut met de bundel "Primus fons" (1907) welke gevolgd werd door "Scruta obsoleta" (1910) In dezelfde periode had hij ook verschillende commentaren geschreven op het werk van Dante, die door de kritieken zeer hoog werden aangeslagen. Op zijn tweeëntwintigste volgde hij zijn vader op als redacteur van "Il Nuova Giornale" te Florence.

Ondanks het feit dat hij gedoopt was en op zijn veertiende de eerste communie ontving, groeide hij op in een omgeving waarin de religie nauwelijks een rol speelde. Voor zijn ouders had die eerder genoemde handelingen ook eigenlijk niet gehoeven, maar traditie was nu eenmaal traditie. Hij studeerde rechten aan de universiteit van Livorno, maar verliet de universiteit vroegtijdig om zich te richten op een carrière als journalist. Nadat zijn vader, zijn zuster en zijn broer kort achter elkaar kwamen te overlijden raakte Borsi de greep over zijn leven volledig kwijt en stortte zich met volle overgave op het geloof. Hij keerde terug in de kerk en werd op 18 juli 1914 voor een tweede maal gedoopt.De werken die volgde handelde voornamelijk over zijn bekering tot het geloof.

Op het moment dat Italië betrokken raakte bij de eerste wereldoorlog, gaf Borsi zich meteen op voor actieve dienst. In Oktober 1915, werd hij naar het Isonzo front gezonden, alwaar hij op 10 november zou sneuvelen.

latere werken:
Il Testamento spirituale (1915)
Colloqui (1916)
Lettere dal fronte (1916)
Il Capitano Spaventa, Bemporad, Firenze (1918)
Confessioni a Giulia, (1920)
Fiorrancino, (1921)
Novelle (1921)
Versi 1905-12, Firenze, Le Monnier (1922)

zondag 23 augustus 2009

Tadeusz Borowski, Polen (1922 - 1951)



12.11.1922 Zhytomyr (Oekraine)
01.07.1951 Warschau

Borowski werd geboren binnen een Poolse gemeenschap te Zhytomyr, Oekraine, toendertijd onderdeel van groot Rusland. In 1926 werd zijn vader, wiens boekhandel door de communisten was overgenomen,, naar een Goelagkamp te Karelina verbannen. Vier jaar later stond zijn moeder een zelfsoortig lot te wachten, toen men haar deporteerde naar een nederzetting aan de oevers van de Yenisey te Siberie.

In 1932 worden Borowski en zijn broer gerepatrieerd naar Polen door inmenging van het Poolse Rode Kruis. Ze vestigen zich samen met hun vader in Warschau, nadat die in verband met een ruil van in Polen gevangen genomen communisten was vrijgelaten. In 1934 voegde moeder zich bij het gezin.

In 1940 rondde Borowski zijn middelbare schoolopleiding af, aan een ondergronds lyceum gedurende de Duitse bezetting van Polen. om vervolgens te beginnen met studies Poolse taal & letterkunde aan de (eveneens ondergronds) universiteit van Warschau.

Werkzaam als nachtwaker in een warenhuis, was hij betrokken bij de productie van verschillende verzetkranten, en publiceerde hij verschillende gedichten in "the monthly Droga". Het was ook in deze periode dat zijn eerste (clandestiene) bundel "Gdziekolwiek Ziemia" van de persen rolde.

Ondertussen was hij verloofd met Maria (?), met wie hij ook samenwoonde. Toen die op een avond niet thuiskwam, ging hij naar haar op zoek, waarbij hij regelrecht in de door de Gestapo opgezette val liep. Hij werd gearresteerd en belande via de beruchte Pawiak gevangenis in Auschwitz.

De hel die hij ontwaarde in Auschwitz, zou een belangrijke voedingsbodem blijken voor zijn latere werk. Nadat hij een longontsteking had opgelopen, werd hij tewerkgesteld in het hospitaal waar Mengele zijn verschrikkelijke experimenten uitvoerde.

Op het einde van 1944 werd hij getransporteerd naar Dachau, dat uiteindelijk op 1 mei 1945 door de geallieerden bevrijd werd.

Na nog bijna een jaar in een opvangkamp nabij Munchen gezeten te hebben, alwaar hij ook nog een gedichtenbundel produceerde, keerde Borowski op 31 mei 1946 terug naar Polen. Alwaar hij onder andere vernam dat zijn verloofde de oorlog ook overleefd had en nu naar Zweden was vertrokken.

Na terugkomst in Polen, schakelde Borowski over op het schrijven van proza, aangezien hij van mening was dat hetgene hij vertellen wilde, moeilijk in poëzie te verwoorden viel.
Zijn werk werd gepubliceerd als een serie van korte verhalen, onder de titel "Pozegnanie z Maria" (Vaarwel Maria - maar in het Engels bijvoorbeeld vertaald als "This way for the Gas, Ladies and Gentlemen) - Verschillende bundels zouden volgen. In het Nederlands is onder andere "Stenen Wereld", aan te raden. Uitgegeven door de Wereldbibliotheek

In eerste instantie zag Borowski onder de communisten een mooie toekomst voor zijn Polen opdoemen, een mooie toekomst waarin er geen ruimte zou zijn voor een herhaling van Auschwitz, maar toen één van zijn vrienden gearresteerd en gemarteld werd door de communisten verloor hij al zijn geloof in de overheid.

Op 1 juli 1951 draaide hij de gaskraan van zijn oven open, om op deze manier een einde aan zijn leven te maken. Twee dagen later overlijdt hij in het ziekenhuis.


The interrogation


They beat him all day, and the next. Doing nothing.
They beat him round the clock, all week.
"Talk, talk"they shouted, "We know everything!
We know your alias! And your name!"
They showed his ID. Banged his head on the table.
"Say just one sentence! Just one word!"
They showed him his passport, foreign visas,
Books and secret documents from the lining of his suitcase,
But then when they showed him his English tommy gun
He said "Take away the tablecloth, I'm going to throw up."
That's all he said. He was black and blue.
They took him to Majdanek, locked him behind the wire.
At night he cut the wire, escaped right under the sentries' eyes.
What use is glory if this memory dies?

© Tadeusz Borowski (vertaler onbekend)


zaterdag 22 augustus 2009

Emile van der Borch van Verwolde, Nederland (1910-1943)



Emile van der Borch van Verwolde werd geboren op 17 mei 1910 als zoon van Willem Henrik Emile baron van der Borch van Verwolde & Liné van der Borch van Verwolde Vouté. (Het gezin woonde op het landgoed Huis Verwolde in Laren - Gelderland - zie foto)

Hij studeerde rechten te Leiden & Groningen, was medewerker aan het literair tijdschrift "Groot Nederland" & het Leids studentenblad "Virtus Concordia Fides". Daarnaast stond hij bekend als een groot boekenliefhebber, die onder andere verschillende bibliofiele uitgaven verzorgde.

In de oorlog was hij actief als verzetsstrijder, maar als lid van de inlichtingendienst werd hij echter verraden en op 6 maart 1942 gearresteerd. In 1943 werd hij met enkele anderen op de Leusderheide gefusilleerd. In 1985 werd hem postuum het verzetsherdenkingskruis verleend. Op het landgoed verwolde staat achter in de tuin een gedenksteen ter nagedachtenis van van der Borch.

Gedichten van Emile verschenen na de oorlog in: Aux frais dún amateur. Emile Baron van der Borch van Verwolde en het boek" van C. van Dijk.

De Wanhopige

Er is geen mens zover als ik gegaan
op deze weg van zoden en van stenen, -
ik heb met alles wat voorbij is afgedaan,
nu ben ik eindelijk met mij zelf alleen en
kan niet verder.

De haven ligt verdronken in de nacht,
het water droomt onder de bruggebogen
van een verzonken en verzwegen vracht,
en in het donker zie ik vrouwenogen, -
maar dit is niets.

Thuis bloeien anemonen in het gras
tegen de berk aan, voor de zon geborgen,
en ik hoor stemmen en een hond die blaft
tegen zijn baas, en wacht het 'goedemorgen',-
het is voorbij.

Ik voel geen medelijden noch verzet
voor hen die deze reis nog nooit begonnen,
maar zich te ruste leggen in het veilige bed
van gewaardeerde deugd en gewaardeerde zonde, -
want zij zijn dood.

© Emile van der Borch van Verwolde

Bronnen: Bart FM Droog (Poëziemarathon) & Huis Verwolde

Asa Moore Bolles, USA (1802-1832)

Asa Moore Bolles werd geboren op 22 september 1802 te Ashford. Studeerde af aan Brown university in 1823, om zich vervolgens in augustus 1826 officieel advocaat te mogen noemen na een stage te Canterburry, om uiteindelijk in Killingworth zijn beroep uit te oefenen. In september 1832 overleed hij aldaar aan de gevolgen van Cholera.

Naast gedichten publiceerde hij ook geregeld artikelen over poezie en andere kunstvormen in de "New England Weekly Review"

Boris Bogatkov, Rusland (1922-1943)



Boris Andreyevich Bogatkov werd in september 1922 geboren te Achinsk. Zijn beide ouders waren onderwijzer. Toen Boris 10 jaar oud was overleed zijn moeder, waarna hij door een tante werd opgevoed. Hij studeerde in Achinsk, Krassnoyarsk & Novosibirsk. Als kind koesterde hij al een passie voor poëzie & de tekenkunst. Hij las veelvuldig de werken van dichters als Poesjkin, Lermontov, Mayakowsky, Bagritsky (die hier binnenkort behandelt zal worden) & Aseyev. In 1938 won hij jeugdpoezieprijs voor zijn gedicht "gedachten aan de rode vlag". Hij werkte als arbeider aan de aanleg van de Moskouse metro en volgde 's avonds colleges aan het literaire instituut Gorky.

Bogatkov nam dienst aan het begin van de patriotische oorlog. Tijdens een Duits bombardement liep hij een shock op en werd wegens zijn gezondheid ontslagen. In 1942 keerde hij terug naar Novosibirsk alwaar hij verschillende oorlogsgedichten publiceerde in lokale kranten en tijdschriften. Maar de oorlog bleef trekken en hij wilde er willens en wetens weer actief aan deelnemen. Uiteindelijk kwam hij bij een Siberische Divisie van vrijwilligers. Aan het front bleef hij verzen schrijven en componeerde een lied voor de divisie.

Op 11 augustus 1943 sneuvelde hij gedurende de slag om Gnezdilovskaja (een heuvel)

---

AT LAST

A suitcase maybe a yard in length,
A mug, a spoon, a knife, a mess-tin - all
These things I bought and stored up in advance
So that I would be ready when they called.
How eagerly I waited! At last
I had the longed-for papers in my hands!
My childhood days flew by so fast
Spent in school and summer camps.
With hands as tender as a girl's our youth
Caressed us softly, took us in her arms,
But now our youth glints with the steel
Of its cold bayonets across the lines of war.
Our youth has ordered us into the fire
To fight for everything that we hold dear.
And I, too, hasten to be with my comrades,
Those who have attained their manhood here!

vertaald door Ronald Vroon

---

Barcroft Boake, Australie (1866-1892)



26.03.1866 Sydney
00.05.1892 Sydney

Barcroft Henry Thomas Boake werd geboren te Sydney op 26 maart 1866 als oudste kind van Barcroft Capel Boake & Florence Eva Clarke. Het gezin bestond verder nog uit vier dochters. Zijn vader (van Ierse komaf) die fotograaf was, had niet bepaald een hoge pet op van het reguliere onderwijs en zond zijn zoon naar een prive school. Hij zou er verschillende doorlopen voor hij zich uiteindelijk liet onderwijzen in de kunst van het landmeten.

Toen hij dertien was stierf zijn moeder in het kraambed en werd haar rol over genomen door Boake's grootmoeder.

In 1886 ging hij aan de slag als landmeters-assistent, woonachtig nabij Adaminaby, New South Wales. Hij beleefde hier naar eigen zeggen de twee mooiste jaren van zijn leven, niet in de laatste plaatst door zijn ontmoetingen met de gezusters Mc Keahnie, Jean & May. Na zijn verblijf te Adaminaby trok hij noordwaarts om onder andere als veedrijver & schaapscheerder aan de kost te komen.

In 1890 begon hij met het schrijven van poezie, die hij voor een groot deel baseerde op zijn ervaringen in de bush. Zijn eerste werk verscheen datzelfde jaar nog in the Sydney Mail en in 1891 verschenen zijn eerste gedichten in the Bulletin. Dit was het begin van een korte maar zeer productieve periode met vele publicaties.

In december 1891, na het einde van zijn contract, keerde hij terug naar Sydney, alwaar hem een niet bepaald warm bad stond te wachten. Velen waren immers getroffen door de financiele crisis. Zo was zijn vader de zaak kwijtgeraakt & lag zijn grootmoeder op sterven. Toen Boake er maandenlang niet in slaagde aan de bak te geraken, bereikte zijn zwaarmoedigheid, waar hij al vanaf zijn jeugd aan leed, diens dieptepunt, en raakte hij in een zware depressie, om uiteindelijk in mei 1892 een einde aan zijn leven te maken. Tien dagen nadat hij spoorloos verdewenen was, werd hij nabij de haven gevonden, hangend aan zijn zweep.

Where the Dead Men Lie

Out on the wastes of the “Never Never,”
That's where the dead men lie,
There where the heat-waves dance forever,
That's where the dead men lie;
That's where the Earth's lov’d sons are keeping
endless tryst - not the west wind sweeping
feverish pinions, can wake their sleeping -
Out where the dead men lie!

Where brown Summer and Death have mated,
That's where the dead men lie,
Loving with fiery lust unsated,
That's where the dead men lie;
Out where the grinning skulls bleach whitely,
Under the saltbush sparkling brightly,
Out where the wild dogs chorus nightly,
That's where the dead men lie.

Deep in the yellow, flowing river,
That's where the dead men lie,
Under the banks where the shadows quiver,
That's where the dead men lie;
Where the platypus twists and doubles,
leaving a trail of tiny bubbles;
Rid at last of their earthly troubles,
That's where the dead men lie.

East and backward pale faces turning,
That's how the dead men lie;
Gaunt arms stretched with a voiceless yearning,
That's how the dead men lie;
Oft in the fragrant hush of nooning,
Hearing again their mother's crooning,
Wrapt for aye in a dreadful swooning,
That's how the dead men lie.

Nought but the hand of Night can free them;
That's when the dead men fly;
Only the frightened cattle see them -
See the dead men go by;
Cloven hoofs beating out one measure,
Bidding the stockman know no leisure,
That's when the dead men take their pleasure,
That's when the dead men fly.

Ask, too, the never-sleeping drover,
He sees the dead pass by,
Hearing them call to their friends - the plover,
Hearing the dead men cry.
Seeing their faces stealing, stealing,
Hearing their laughter pealing, pealing,
Watching their grey forms wheeling, wheeling
Round where the cattle lie.

Strangled by thirst and fierce privation -
That's how the dead men die
Out on “Moneygrub's” furthest station,
That's how the dead men die;
Hardfaced greybeards, youngsters callow,
Some mounds cared for, some left fallow,
Some deep down, yet others shallow,
Some having but the sky.

“Moneygrub” as he sips his claret
Looks with complacent eye
Down at his watch-chain, eighteen-carat,
There in his club hard by:
Recks not that every link is stamped with
Names of the men whose limbs are cramped with
Too long lying in grave-mould, camped with
Death where the dead men lie.

---

meer gedichten, foto's, manuscripten en biografische gegevens vind men op de volgende mooie site : http://www.boake.net/index.html

donderdag 20 augustus 2009

Rene Blieck, België (1910-1945)



01.05.1910 Brussel
00.00.1945 Baai van Lübeck

Rene Blieck werd op 1 mei 1910 geboren te Brussel. Studeerde rechten aan de vrije universiteit te Brussel. Sloot zich aan bij de Marxistische studentenbeweging & nam deel aan het comité der waakzaamheid der anti-fasistische intellectuelen & aan de wereld verzamelbeweging voor de vrede. Werkte als advocaat, maar was tevens medewerker van enkele arbeiderskranten.

Na de machtsgreep der nazi's werkte hij mee aan verschillende illegale kranten & nam deel aan het verzet.

Op 22 juni 1941 werd hij door de Gestapo gearresteerd & via Breedonk kwam hij in Neuengamme terecht.

In het geheim schreef hij gedichten die hij en zijn medegevangene uit het hoofd leerde.

Bij de evacuering aan het einde van de oorlog, overleed hij toen de SS 't schip Cap Arcona in de baai van Lübeck tot zinken bracht.


Ann Eliza Bleecker, USA (1752-1783)



00 10 1752 New York
23 11 1783 Albany

Ze werd als Ann Eliza Schuyler geboren in oktober 1752 te New York, als zesde kind van Margareta Van Wyck (1722–1777) en Brandt Schuyler (1716–1752) beide succesvol in de handel en lid van de vooraanstaande upperclass. Haar stierf na een lang ziekbed vlak voor haar geboorte.
Ze bleek reeds op jonge leeftijd aanleg voor het schrijven te hebben. Zo schreef ze veel gedichten die ze geregeld aan de familie en diens gasten voordroeg. Qua vorm en inhoud was ze volgens de bronnen zeer gevarieerd en geregeld componeerde ze dan ook gelegenheidsgedichten of schudde ze ter plekke uit haar mouw.
In 1760 hertrouwde haar moeder. Met Anthony Ten Eyck (1712-1775) eveneens lid van de eerder genoemde upperclass.

Op 29 maart 1769 trouwde Ann met John James Bleecker (1745-1795), advocaat te New Rochelle. Kort na het huwelijk verhuisde ze naar Poughkeepsie. Twee jaar later verruilde John de advocatuur voor het boerenbedrijf en zo verhuisde het stel naar een landgoed in Tomhancock, alwaar Ann veel poezie schreef en zich tevens begon toe te leggen op de kunst van het corresponderen, oké brieven schrijven. Alhier werden twee dochters geboren.

Toen de Britse troepen in 1777 Tomhancock binnenvielen, vluchtte Ann met de kinderen naar Albany, terwijl haar man de strijdkrachten ging versterken. Kort daarop overleden haar moeder en haar jongste dochter.

In de winter van 1779, publiceerde ze een periodiek met de naam "Albany gazette, dat ze in zijn geheel vulde met haar politieke essays, gedichten & korte verhalen. Met al enig doel te worden verspreid onder familie, vrienden en kennissen. Een activiteit waarin haar man haar overigens volledig steunde.

In 1781, nadat haar man door de Loyalisten gevangen werd genomen, stortte Ann in. Hoewel hij korte tijd later weer werd vrijgelaten zou ze deze inzinking nooit meer te boven komen. De poëzie die ze de laatste jaren van haar leven schreef worden gekenschetst als zijnde melancholisch en verbitterd.

Ann Eliza Bleecker overleed op drieëndertig jarige leeftijd & liet een stapel met manuscripten achter (poezie & proza) welke ze naar alle waarschijnlijkheid zelf nooit uit had willen geven. Ongeveer zeven jaar na haar dood verschenen de eerste gedichten en verhalen in verschillende magazines. In 1793 verschenen "The Posthumous Works of Ann Eliza Bleecker, in Prose and Verse". Deze publicaties kwamen voornamelijk tot stand door de inzet van haar dochter Margaret, zelf ook schrijfster. Haar werk wordt vandaag de dag nog steeds gelezen, al was het om diens historische waarde.

---
A PROSPECT OF DEATH

DEATH! thou real friend of innocence,
Though dreadful unto shivering sense,
I feel my nature tottering o’er
Thy gloomy waves, which loudly roar:
Immense the scene, yet dark the view,
Nor Reason darts her vision through.
Virtue! supreme of earthly good,
O let thy rays illume the road;
And when dashed from the precipice,
Keep me from sinking in the seas;
Thy radiant wings then wide expand,
And bear me to celestial land.

© Ann Eliza Bleecker
---

Joan Leonardsz. Blasius, Nederland (1639-1672)



13.04.1639 Oostvliet
06.12.1672 Amsterdam

In 1655 werd hij te Leiden student in de medicijnen en rechten, en op 28 Mei 1660 promoveerde hij aldaar in de rechten op een proefschrift over de Lex Julia de adulteriis. Eerst vestigde hij zich als Advocaat te Leiden, later in Amsterdam, alwaar hij in December 1662 trouwde met Maria Wiebouts, de Celestine zijner zangen.
In 1670 werd hij regent (onderdirecteur van de Amsterdamse Schouwburg.

Hij was een fel tegenstander van Nil Volentibus Arduum. In zijn vertalingen uit het latijn van Plautus & uit het Frans van onder andere Scarron & Boisrobert lapte hij de strenge Frans-Classistische opvattingen van het eerder genoemde dichtgenootschap aan zijn laars en trok duidelijk zijn eigen plannen. Zijn romantische benadering van de poëzie en zijn keuzes als regent van de schouwburg, hadden op een eerder moment reeds kwaad bloed gezet bij de verenigde dichters.

1661 mengeldichten
1661 Geslachtboom der goden en godinnen
1663 Fidamants kusjes minne wijzen en bij rijmen aan Celestijne ( klik hier voor weergave van de gehele tekst)
1670 't Huwelijk van Orondates & Statira

Hoewel het werk van Blasius niet al te hoog meer wordt aangeslagenvandaag de dag, wordt zijn poëtisch gevoel boven vele van zijn tijdgenoten geplaatst. Voornamelijk door de reeds eerder genoemde romantischere insteek van zijn gedichten.

Verder is één van zijn blijspelen nog te hier terug te lezen. Het betreft "De edelmoedige vijanden"uit 1659.

woensdag 19 augustus 2009

Aloysius Bertrand, Frankrijk (1807-1841)



Bertrand introduceerde het proza gedicht in de Franse literatuur en wordt gezien als een voorbeeld voor de latere symbolisten.

Hij werd als Louis Jacques Napoleon Bertrand op 20 april 1807 geboren in Ceva, Piemonte, Italie (toendertijd onderdeel van Napoleons Frankrijk). Zoon van Georges Bertrand, luitenant in het Franse leger en Laura Davico, de dochter van de plaatselijke burgermeester.

In 1814 keerde zijn familie terug naar Dijon, alwaar hij zijn onderwijs genoot, & in 1826 lid werd van een kleine maar gerenommeerde literaire kring. Aldaar werd hij in de gelegenheid gesteld zijn eerste gedichten voor te dragen. Door zijn locale bekendheid werd hij in 1826 benoemd tot het hoofd van Le Provincal, een plaatselijke krant. Een betrekking die hij slechts enkele maanden zou houden in verband met zijn vertrek naar Parijs.

Maar aangezien hij het maar niet voor elkaar kreeg zijn gedichten gepubliceerd te krijgen keerde hij reeds in 1830 teleurgesteld terug naar Dijon. Maar ook daar kon hij niet aarden, Parijs en zijn literaire droom bleven aan hem trekken zodat hij eind 1832 toch weer zijn geluk ging beproeven in de Franse hoofdstad. Maar proeven zou hij er weinig.

Neem nu zijn belangrijkste werk Gaspard de la Nuit (een bundel prozagedichten) dat door grote namen zoals Hugo & Saint-Beuve zeer gewaardeerd werd maar met heel veel moeite het literaire publiek zou bereiken . Want hoewel hij het manuscript reeds in 1836 wist te verkopen aan Eugene Renduel, zou deze pas in 1842 gepubliceerd worden. Nauwelijks een jaar na zijn dood door tuberculose in een Parijs ziekenhuis op 29 april 1841. En zelfs in 1842 was de ontvangst van het boek erg koeltjes. Pas toen het enkele jaren later door onder andere Baudelaire & Mallarme herhaaldelijk geprezen werd, begon het publiek zich er voor open te stellen.

Gaspard de la Nuit is een bundel fantasierijke prozagedichten. Het werk reflecteert ondanks alle beschreven gruwelen ook het romantische karakter van het middeleeuwse, het mysterieuze & het bizarre. In het nederlands is Gaspard de la Nuit onder andere te verkrijgen in een vertaling van Hans van Pinxteren bij uitgever Athaneum -Polak & van Gennep.
---
Meermin (oorspronkelijke titel Ondine)

Hoor!Hoor! Ik ben het, Ondine, die met deze regendruppels ruisend strijkt langs de ruitjes van je vensterraam, vaal verlicht door de manestralen; hier is de kasteelvrouw in een gewaterde wade, die op haar balkon uitstaart over het slapende meer in de mooie besterde nacht.

Elke golf is een meerman die zwemt in de stroom , en elke stroom een pad dat slingert naar mijn paleis, en mijn paleis verheft zich op de bodem van het meer, vloeibaar bouwwerk in de driehoek van vuur, aarde en lucht.

Hoor! Hoor! Mijn vader slaat het kwakende water met een groene elzentak, en mijn zusters strelen met schuimende armen de koele eilanden van wier, waterlelies en lissen, of drijven de spot met de wrakke, baardige wilg die te vissen staat.

Aan het einde van haar ruisend lied smeekte ze mij haar ring te steken aan mijn vinger, de gemaal te worden van een meermin en met haar mee te gaan naar haar paleis, om te tronen over de meren.

En toen ik antwoordde dat ik een aardse vrouw beminde, vergoot zij pruilend en gekrenkt een paar tranen, lachte schaterend en loste op in flarden regen, die zilverend gutsten langs mijn blauwe ruitjes.

© vertaling : Hans van Pinxteren

---

In 1908 componeerde Ravel Gasdpard de la nuit - een drietal spookachtige gedichten voor de piano - geinspireerd op het werk van Bertrand.


Adrien Bertrand, Frankrijk (1888-1917)




Adrien Bertrand werd geboren op 4 Augustus 1888. Na zijn studie vertrok hij naar Parijs, alwaar hij werkzaam was als journalist voor onder andere Paris-Midi & L'Homme libre.

In 1908 richtte hij het literaire tijdschrift Les Chimeres op, waarin hij naast zijn socialistische propaganda ook verschillende surrealistische gedichten publiceerde. Verder redigeerde hij werk van Verlaine, schreef kritische biografieen en lyrische poezie. Hoewel Bertrand een overtuigd pacifist was, twijfelde hij bij het uitbreken van de eerste wereldoorlog geen seconde om het leger in te gaan en zijn vaderland te dienen.

Na enkele maanden (volgens de overleveringen op zeer heroische wijze) aan de frontlinie te hebben gediend, wordt Bertrand eind oktober 1914 getroffen door een granaatscherf. Hij werd verschillende malen geopereerd maar zou uiteindelijk op 18 november 1917 te Grasse alsnog bezwijken aan zijn verwondingen. In die laatste periode van zijn leven schreef hij naast poezie ook enkele romans en een verhalenbundel, met eigenlijk slechts één onderwerp: de oorlog.

zijn oeuvre:
* Les Soirs ardents. Cadences et rythmes, 1908
* Les Jardins de Priape, 1916
* L'Appel du Sol, 1916 - (roman, waarmee hij de Prix Goncourt zou winnen)
* L'Orage sur le jardin de Candide, 1917 (verhalenbundel)
* La Victoire de Lorraine, 1917
* Le Verger de Cypris, 1918
* Sonnets sur la Nature, 1923

Leon Berthon, Frankrijk (1893-1917)

De Franse dichter en schrijver van korte verhalen Leon Berthon werd naar verluidt in 1893 geboren. Hij overleed op 12 februari 1917 te Clermont, Oise aan de gevolgen van een ziekte die hij in de loopgraven had opgelopen.

Eén van zijn gedichten werd opgenomen in "poemes de la guerre" die door M.Rocher werd samengesteld

Jean Marc Bernard, Frankrijk (1881-1915)

Was een Frans dichter en criticus.

In 1909 richtte hij het satirische blad "les quepes" op. Werkte veel samen met Francis Carco & Tristan Dereme beide lid van het zogenaamde l'ecole les Fantasiste.

In 1913 publiceerde hij "Sub tegmine fagi" (poezie). Schreef tevens "de Profundis", een poetisch werk over de verschrikkingen van de loopgraven, alwaar hij zelf ook zijn einde zou vinden.

Edouard Bernard, Frankrijk (1888-1914)

In 1911 verscheen van zijn hand de bundel "Breves Silhouettes". Hij sneuvelde op 27 september 1914 in de loopgraven nabij Apremont la Foret

Alexander Petrovich Benitsky, Rusland (1780-1809)

Benitsky overleed op 30 november 1809 te St.Petersburg aan T.B.C. 29 jaar oud.

Zijn filosofische en didactische verhalen (die in stijl aan voltaire deden denken) hadden een behoorlijk aanzien aan het begin van de negentiende eeuw. Verder produceerde hij gedichten en satirische fabels.

Herman de Bengoeacha, Colombia (1889-1915)

De van oorsprong Colombiaanse schrijver Herman de Bengoechea, werd in 1889 geboren en sneuvelde gedurende de eerste wereldoorlog te Frankrijk op 9 mei 1915 (mogelijk als soldaat in het vreemdelingenlegioen). Voor zijn verdiensten werd hem een oorlogskruis toegekend.

Verschenen werken
1921 Les crepuscules du matin (Poezie)
1922 le vol du soir (toneel)
1924 le sourivede I'lle de France (essays)

Daniel Bellemans, België (1642-1674)

Hoewel de jaartallen 1640 & 1641 ook her en der genoemd worden, wordt toch aangenomen dat Daniel Bellemans in 1642 te Antwerpen geboren werd.

Op 18-jarigen leeftijd was hij in de Norbertijner abdij te Grimbergen bij Vilvoorden ingetreden, alwaar hij in 1661 zijn kloostergeloften uitsprak en vier jaar later de priesterwijding ontving. Na enkele jaren van voorbereiding in de abdij, ging hij met een medebroeder der St. Michielsabdij te Antwerpen Ant. Verachteren hulp verlenen aan de verlaten katholieken van Maas en Waal. Bellemans vestigde zich eerst in Oyen en later in Horssen, alwaar hij op 12 december 1674 zou komen te overlijden.

Bellemans schreef geestelijke liederen die hij bundelde in "'t citherken van Jezus" & Den liefelijcken paradijsvogel" welke beide in 1670 verschenen en daarna nog vele malen herdrukt zouden worden.

Jacobus Bellamy, Nederland (1757-1786)



Jacobus Bellamy werd op 12 november 1757 te Vlissingen geboren als zoon van een Nederlandse moeder (Sara Hoefnagel) en Zwitserse vader (Jacques Bellami). Zijn vader overleed toen Jacobus 11 jaar oud was. Vanaf zijn twaalfde moest Jacobus mede de kost verdienen als bakkersknecht. Tijdens dit werk, dat hem meer en meer tegen begon te staan, begon hij een voorliefde te ontwikkelen voor de poezie Zijn grote voorbeelden uit die tijd waren Joannes Antonides, Jakob Zeeus en Hubert Kornelisz. Poot.

In 1777 beveelt de dominee, Jona Willem Te Water, hem aan bij een dichtgenootschap. Niet veel later werd Jacobus verliefd op Francina Baane. Zij verloofde zich echter in 1779 met een ander. In datzelfde jaar werd hij, met steun van wederom dominee Te Water toegelaten tot de predikantenopleiding en werd hij lid van het Haagse dichtgenootschap "Kunstliefde spaart geen vlijt". Hier ontwikkelt hij zijn dichttheorie dat losheid, waarheid en natuur voorwaardes zijn voor de totstandkoming van kunst.

In 1780 stierf de verloofde van Francina Baane, en verloven Francina en Jacobus zich in het geheim. Toen het eenmaal toch uitkwam, verbood Francina's moeder dat ze elkaar nog zouden zien. In de jaren die volgden, zouden ze elkaar alleen heimelijk ontmoeten bij een wederzijdse vriendin. Deze tijd was een grote bron van inspiratie voor Jacobus. In 1784 werd hij erkend als dichter en accepteerde zijn schoonmoeder de verloving.

Aan het einde van 1781, na 2 jaar privélessen van rector Didericus van Cruysselbergen, werd Jacobus toegelaten op de Universiteit van Utrecht. Dominee Te Water was inmiddels overleden en vanaf dat moment kwam de financiële steun van Mr. Nicolaas Cornelis Lambrechtsen. In Utrecht wist hij in 1782 zijn eerste dichtbundel te laten uitgeven onder de titel Gezangen mijner jeugd.

Voor zijn eerste dichtbundel verscheen er echter in 1781 een vers van zijn hand in het patriotische weekblad Post van den Neder-Rhijn, onder zijn patriottistische schuilnaam Zelandus. Hij raakt onder de invloed van Joannes Petrus Kleyn en ging zich toeleggen op volksdichtkunst en het uitdragen van zijn vaderlandse en onafhankelijkheidsgevoelens. Bij uitgever Jan Martinus van Vloten gaf hij in de periode juni 1782 tot december 1783 een negental verzen uit in die bijna allemaal in de Post van den Neder-Rhijn verschenen. In 1783 werden deze verzen verzameld in één bundel, zijn tweede officiële uitgave, Vaderlandsche gezangen van Zelandus. Hij had een kamer gehuurd in hetzelfde pand als Quint Ondaatje in de Lange Nieuwstraat.

In 1784 werd Bellamy redacteur van letterkundig tijdschrift, Proeven voor het verstand, den smaak en het hart. Het tijdschrift was een initiatief van zijn vriend dominee Willem Anthony Ockerse. In de tweede uitgave van dit blad plaatste hij een aantal gedichten, waaronder zijn bekende vertelling "Roosje". In diezelfde tijd kwam hij ook in contact met een Utrechts dichtgenootschap met dichters als Jan Hinlópen, S.F.J. Rau en Willem Carp. Hij breekt met zijn Haagse dichtgenootschap en begint een eigen tijdschriftje De Poëtische Spectator, waarin hij zijn oude dichtgenootschap flink bekritiseerde.

In 1785 gaf hij een dichtbundel uit, zijn laatste. Hij noemt zijn dichten dan oden, in navolging van Kleyn, maar ging en wilde verder dan Kleyn gaan in het afschaffen van dichtwetten en -regels. Zover kwam het niet want op 11 maart 1786 stierf Bellamy te Utrecht.

te hier kunt u onder andere zijn "gezangen mijner jeugd" nalezen

Bron : wikipedia

zondag 9 augustus 2009

Julian Heward Bell, Engeland (1908-1937)



Julian Heward Bell werd op 4 februari 1908 te Londen geboren, als zoon van de recensent Clive Bell en Vanessa Bell, de zuster van Virginia Woolf. Zijn jongere broer Quentin zou overigens ook schrijver worden.

Julian bracht het grootste deel van zijn jeugd door in Bloomsbury & Charleston, Sussex. Na middelbaar onderwijs te hebben genoten aan de Leighton Park School (1922)en een jaar in Parijs te hebben doorgebracht, begon hij in 1927 met zijn studies Engels en Geschiedenis (toegespitst op politiek) aan Kings College te Cambridge, alwaar hij lid werd van de Cambridge Apostles, een prestigieuze studentenvereniging en begon te schrijven voor verschillende literaire tijdschriften, waaronder "The Venture". Twee van zijn vrienden, Guy Burgess en Anthony Blunt (alwaar hij naar verluidt een relatie mee zou hebben gehad), bleken later spionnen voor de Sovjet-Unie te zijn. Tegen het einde van zijn studie publiceerde hij zijn eerste bundel "Winter Movement" (1930) - welke overigens wat lauw ontvangen werd.

Na zijn afstuderen werkte Bell aan een tweetal dissertaties (over de poëzie van Pope & de toepassing van ethiek binnen de politiek) maar zonder succes. In 1935 vertrok hij naar China alwaar hij werkzaam was als professor Engels aan de universiteit van Wuhan. Aangetrokken door de oorlog in Spanje keerde hij in 1937 weer terug naar Europa, alwaar hij zich meteen aanmeldde bij de Britse Medische eenheid. Hij was eigenlijk van plan om zich aan te melden bij de strijdkrachten, maar in verband met de pacifistische principes van onder andere zijn, legde hij zich neer bij het voorstel van zijn familie. Op 18 juli 1937 (na slechts zes weken) kwam hij om gedurende de slag rond Brunette, alwaar hij werkzaam was als bestuurder van een ambulance.

bibliografie:

Winter Movement, 1930
We Did Not Fight, 1935
Works for the Winter, 1936
Essays, Poems and Letters, 1938 (postuum gepubliceerd door zijn broer Quentin Bell)

tot ik een zekere Engelse bloemlezing (poets of the thirties) in de chaos die mijn boekenkamer op het moment is heb weten te traceren, nog even geen gedicht van Bell, maar er wordt dus aan gewerkt;)

zaterdag 8 augustus 2009

Gustavo Adolfo Becquer, Spanje (1836-1870)



Gustavo Adolfo Becquer werd op 17 februari 1836 geboren te Sevilla, in een familie die voor een groot deel uit kunstenaars (voornamelijk schilders) bestond. Zijn vader Jose Dominques Becquer, stierf toen Gustavo slechts vijf jaar oud was. Zijn moeder op zijn elfde.

Tegen de wil van de familie in, vertrok hij in 1854 naar Madrid, alwaar hij schilderde (onder andere aan het nooit afgeronde "de geschiedenis van Spaanse tempels") & produceerde toneelstukken en korte opera's. Verder schreef hij aan de lopende band om maar enigszins in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. In 1858 liep hij een serieuze ziekte op, waar eigenlijk maar weinig over bekend was.

Hij reisde af naar Soria & Veruela, voor zijn gezondheid en vond rust, een dokter & een vrouw, Casta Estelban. Maar het huwelijk dat in 1861 beklonken werd kende weinig geluk. Daarentegen was dit wel de periode waarin hij zijn beste werken schreef, zo publiceerde hij geregeld gedichten in tijdschriften zoals El Contemporaneo & El museo universal. In 1868 stelde hij een manuscript samen van zijn beste verzen, welke werd aangekocht door Gonzalez Bravo. Gedurende de revolutie werd het huis van Bravo echter geplunderd, waarmede ook het manuscript van Becquer van de aardbodem verdween.

Hierna vestigde Becquer zich samen met zijn broer Valeriano in Toledo, tezamen met enkele van hun kinderen. Gustavo werd redacteur van La Illustration de Madrid en deed pogingen zijn gedichten vanuit het geheugen te herschrijven, wat uiteindelijk resulteerde in "het boek van de mussen", wat overigens pas na 1914 enige bekendheid kreeg.

Op 22 december 1870 overleed Gustavo op 34 jarige leeftijd. Na zijn dood verenigde enkele vrienden zich in het streven de werken van Becquer gepubliceerd te krijgen. Onder andere om geld te vergaren voor zijn weduwe en zijn drie zoons. Het verzamelde werk verscheen in 1871 in twee delen.

LYRICAL INTERMEZZO NO. 55

by: Gustavo Adolfo Becquer (1836-1870)

OFTEN when two are parting,
Each grasps a hand as friend;
And then begins a weeping
And a sighing without end.

We did not sigh when parting;
No tears between us fell;
The weeping and the sighing
Came after our farewell.

vertaald in het Engels door Chas. G. Leland

maandag 3 augustus 2009

Nikolaus Becker, Duitsland (1809-1845)



Nikolaus Becker werd geboren op 8 oktober 1809 te Bonn & overleed op 28 augustus 1845 te Hünshoven- Geilenkirchen. Becker studeerde rechten. In 1838 werd hij beedigd als jurist en was later onder andere werkzaam bij het vredesgerecht.

Zijn verzamelde gedichten die in 1841 werden uitgegeven, werden over het algemeen als zijnde onbeduidend beschouwd en daardoor snel vergeten, iets wat overigens niet geldt voor het hieronder staande lied Der deutsche Rhein, waarvan maar liefst 70 composities zijn vervaardigd.

Der deutsche Rhein (1840)

Sie sollen ihn nicht haben,
Den freien deutschen Rhein,
Ob sie wie gier'ge Raben
Sich heiser danach schrein,

So lang er ruhig wallend
Sein grünes Kleid noch trägt,
So lang ein Ruder schallend
In seine Woge schlägt!

Sie sollen ihn nicht haben,
Den freien deutschen Rhein,
So lang sich Herzen laben
An seinem Feuerwein;

So lang in seinem Strome
Noch fest die Felsen stehn,
So lang sich hohe Dome
In seinem Spiegel sehn!

Sie sollen ihn nicht haben,
Den freien deutschen Rhein,
So lang dort kühne Knaben
Um schlanke Dirnen frein;

So lang die Flosse hebet
Ein Fisch auf seinem Grund,
So lang ein Lied noch lebet
In seiner Sänger Mund!

Sie sollen ihn nicht haben,
Den freien deutschen Rhein,
Bis seine Flut begraben
Des letzten Manns Gebein!

© Nikolaus Becker

Jean Bayet, Frankrijk - (1882 - 1915)



Jean Bayet werd geboren op 25 januari 1882 te Lyon & sneuvelde op 7 april 1915 ten oosten van het Bois le Pretre. Hij is de auteur van het hieronder afgedrukte werkje.



Daar de bronnen enkel in het frans voorhanden zijn, zal deze bio op een later tijdstip worden aangevuld


zaterdag 18 juli 2009

Konrad Bayer, Oostenrijk (1932 - 1964)



Konrad Bayer (Wenen, 17 december 1932— aldaar, 10 oktober 1964) is een Oostenrijkse schrijver die deel uitmaakte van de Wiener Gruppe. Hij werkte enkele jaren als bankbediende, maar wijdde zich sinds 1957 aan de kunst. Zo speelde hij in diverse bands, trad op in films van Peter Kubelka en Ferry Radax (o.m. Sonne halt, 1962) en nam deel aan de happenings van de Wiener Gruppe.

Hij experimenteerde niet alleen in zijn teksten, maar ook in zijn leven. Zo beschouwde hij relaties en situaties als te beïnvloeden elementen, het leven als een theaterstuk waarin je je eigen grenzen kon verleggen. Hij was een dandy en een bohemien, gefascineerd door de zwarte romantiek en het surrealisme. Bayer verbleef langere tijd in Picardië in het huis van Friedensreich Hundertwasser, in Parijs, Venetië en Berlijn en op het platteland in Neder-Oostenrijk, waar hij in het halfvervallen kasteel Hagenberg werkte aan zijn roman der sechste sinn. Hij maakte op 10 oktober 1964 een eind aan zijn leven.

Zijn oeuvre bestaat voor een groot deel uit korte, fragmentarische teksten, die je moeilijk in een bestaand genre kunt onderbrengen. Zijn eerste boekpublicatie, der stein der weisen (1963) is een traktaat, samengesteld uit negen hoogst eigenzinnige prozateksten en -montages over lichamen en bewustzijnen in de wereld. Het mondt uit in een pleidooi voor de 'elektrische hiërarchie' van de zinnen en eindigt met de vaststelling "alles kan dit en dat betekenen / alles kan ook iets anders betekenen."

der kopf des vitus bering (1965) is een groots opgezette montagetekst, waarin Bayer de persoon en het leven van de Deense ontdekkingsreiziger als uitgangspunt neemt voor een spirituele reis in ruimte en tijd. Hij laat het beginnende natuurwetenschappelijke denken uit de Nieuwe Tijd botsen met kannibalistische praktijken van primitieve volkeren, mengt de avonturen van de scheepvaart met extreme natuurverschijnselen (noorderlicht, poolijs) en toont aan dat geen enkel begrip eenduidig is. Elke semantische fixatie krijgt in een andere context een nieuwe betekenis.

In zijn onvoltooid gebleven roman der sechste sinn verwerkte hij autobiografische elementen, gedachten en dromen tot een literaire caleidoscoop. De tekst wordt een instrument om het leven en de dingen anders waar te nemen, ze even te bevrijden uit de dwang van het gewone perspectief: "moet ik denken, wie beweegt er daar nu? was ik het in de spiegel." Een vertwijfeld maar verhevigd levensgevoel doorzindert ook deze verzameling teksten.

Daarnaast schreef Konrad Bayer toneelstukken, o.m. "die boxer", waarin sprekende personages elkaar met hoffelijke en banale zinnen knockout proberen te slaan, en het komisch-satirische "kasperl am elektrischen stuhl". Verder bijzonder originele experimentele teksten waarin hij de beperkingen van de taal probeert te overschrijden of op zijn minst bewust te maken (o.m. "karl ein karl", "die birne", "der die mann", "argumentation vor der bewusstseinsschwelle").

Een gedeelte van Bayers proza is in het Nederlands vertaald, o.m. in de tijdschriften Yang en Armada. De roman het zesde zintuig en het hoofd van vitus bering werden gepubliceerd door uitgeverij IJzer, de steen der wijzen door Zegwerk.

bron : wikipedia

Christiaan Nicolaas Bastert (1786 - 1806)

werd op 25 augustus 1786 te Amsterdam geboren als zoon van Huybert Bastert (kerkmeester der Nederlandsche & Engelsche kerk & één van de vijf kolonels der Amsterdamsche schutterij) & Maria Eva Toll.

Sinds 1804 verschenen er enkele gelegenheidsgedichten die de goedkeuring van de kenners in die tijd weg konden dragen. De amsterdamse afdeling der Bataafsche Maatschappij van Taal- en Dichtkunde nam hem in 1806 aan als lid. Op 19 juni van datzelfde jaar overleed hij in zijn geboorteplaats.

gedichten van Bastert kan men hier nalezen

woensdag 27 mei 2009

Eaton Stannard Barrett, Ierland (1786 - 1820)

Eaton Stannard Barrett werd geboren in 1786 in County Cork. Studeerde rechten te Londen. Hij is het bekendst om zijn satirische versen over Britse politici. De regels op de grafsteen van Thomas Moore's dochter, lange tijd toegeschreven aan Joseph Atkinson blijken ook van zijn hand. Een verwarring die in die tijd zeer gebruikelijk was, aangezien er heel veel onder pseudoniem geschreven werden. Enkele pseudoniemen die Barrett hanteerde waren: Polypus, Cervantes Hogg & Scrutator. Hij overleed op 20 maart 1820 te Wales, aan de gevolgen van Tuberculose.

enkele voorbeelden van zijn schrijven all the talents, woman a poem.

Keith Barnes, Engeland (1934-1969)



Keith Barnes werd in 1934 geboren nabij Londen, alwaar hij vanaf zijn dertiende studeerde aan the Royal Academy of Music. Op zijn twaalfde was hij reeds begonnen met het schrijven van muziekstukken, die door verschillende kamergroepen ten uitvoer werden gebracht. In 1959 stopte hij echter met het schrijven van muziek en stapte hij over op de poëzie. Hij werkte voor muziekuitgeverijen en als redacteur bij BBC Film.

Tussen 1962 & 1969 reisde hij veel en woonde in Amerika (alwaar in 1967 zijn debuutbundel "Born to Flying Glass"verscheen) & Frankrijk. De laatste twee jaren van zijn leven verbleef hij in Parijs alwaar hij in 1969 overleed aan leukemie.

tweetalige website over keith barnes

I Will Not Forget

Windfalls of birds and swirls of leaves
I walk pause stop You drive a high sky through me
drop my case throw my coat and grasp you eyes closed
all spellbinding spring throughout the shimmering summer
stand with you and root into the paving stones

Winter gave me old shoes I broke their laces
I shuffled through the days forgot I could stand straight
forgot how love is Jack and Jill down the hill
corridors of diamonds tumbling bees a-buzz
and dreams which smile silence with such suave lips

How could I have borne myself so hibernated
- pitted and slung so low into my body?
How could I have lived without this marrow in my bone?
- so bent so drear so hollow nestling grudges
which you have so simply soothed from me and cast
off like so much jetsam to the sea

As I walk I carry you the warmth of two
and I will not forget will not forget
your legs and arms locked round me your head tucked tight
your breath against my heart inside my clothes
inside my clothes - I won't forget
I do not cannot live without
this hanging fire

dinsdag 26 mei 2009

Nikoloz Baratashvili, Georgië (1817 - 1845)



De Georgische schrijver en dichter Nikoloz Baratashvili werd geboren op 4 december 1817 in Tbilisi. Zijn werk vormt het hoogtepunt van de Georgische Romantiek. Hij stamde uit een verarmde adelijke familie. Zijn moeder Efemia, die hem enthousiast had gemaakt voor de Georgische literatuur, was een kleindochter van de Georgische koning Irakli II. Baratashvili werd sterk beinvloed door de vele Georgische dichters die frequent bij zijn ouders over de vloer kwamen.

Omdat zijn familie weinig geld had kon hij niet, zoals hij eigenlijk wilde, in Rusland studeren. Wegens fysieke tekortkomingen kon hij ook al geen officier worden. Om zijn familie te helpen aanvaarde hij een eenvoudige betrekking. Baratashvilis privéleven verliep dramatisch. Zijn brieven weerspiegelen zijn sterke innerlijke conflicten.

Hij stierf al op zevenentwintigjarige leeftijd aan malaria op 21 oktober 1845 te Gandja, ver verwijderd van zijn familie, alwaar hij sinds enkele maanden werkzaam was als assistent Gouverneur van deze provincie. Eerst werd hij begraven in het oosten van Azerbeidjan. In 1893 echter werd zijn as naar Tbilisi gebracht en onder grote publieke belangstelling kreeg hij toen zijn laatste rustplaats in het pantheon op de berg Mtazminda.

A Soul-Furlurn

Let none bewail the bitterness of orphancy,
Nor weep if destitute of friend or kin is he,
But pity him whose soul's bereaved by ruthless fate;
Once lost-'tis hard to find again a worthy mate.

Deprived of kin and friend the heart seems lone and dead
Yet soon it finds another one to love instead;
But if the soul does lose its mate, then it must bear
The curse of yielding all its hopes to black despair.

His faith is lost, he trusts no more this world of woe;
Distraught and wild, he shuns mankind, and does not know
To whom to trust the secrets of his troubled breast,
Afraid to feel again the faith it once possessed.

'Tis hard to bear the anguish of a soul forlorn,
To shun all worldly joys and smiles or pleasures scorn;
The lonely soul forever mourns its friend and mate,
And heavy sighs bring calm to him thus doomed by fate.