donderdag 22 juli 2010

Mario de Sá-Carneiro. Portugal (1890 - 1916)



19.05.1890 Lissabon
26.04.1916 Parijs

Sá-Carneiro werd geboren op 19 mei 1890 te Lissabon in een rijke familie, met een sterke militaire traditie. Zijn moeder overleed toen Mario twee jaar oud was, waarna hij grotendeels werd opgevoed door zijn grootouders op een boerderij nabij Lissabon. Sá-Carneiro schreef zijn eerste gedichten toen hij een jaar of 12 was. Op zijn zestiende had hij reeds werken vertaald van mannen als Victor Hugo, Johann Wolfgang von Goethe en Friedrich Schiller. Zijn eerste proza schreef hij op de middelbare school, ingegeven door zijn werkzaamheden als acteur. In 1911 vertrok hij naar Coimbra alwaar hij rechten ging studeren. Maar hij zou niet verder komen dan het eerste jaar. In Coimbra ontmoette hij echter wel Fernando Pessoa, met wie hij al snel een hechte vriendschap onderhield. Het was Pessoa, die hem introduceerde bij een groep van modernisten te Lissabon.

Na Coimbra vertrok Sá-Carneiro naar Parijs om te gaan studeren aan het Sorbonne. Hoewel zijn vader stug doorging met het betalen van het lesgeld, stopte Mario al snel met het bezoeken van de colleges. Hij leefde het leven van een bohemian, zijn tijd grotendeels doorbrengend in de theaters en cafe's van de stad, alwaar hij verliefd werd op een prostituee.

Samen met Pessoa en Negreiros schreef hij voor Orpheu, een tijdschrift voor poezie en artistiek proza dat sterk beinvloed werd door de europese Avant-Garde. Het tijdschrift was te futuristisch voor de op dat moment heersende portugese schriftgeleerden en zorgde dan ook voor menig schandaal. De controversie rond het blad en de heersende geldproblemen (zijn vader trok zich terug zorgde ervoor dat er slechts twee edities uit zouden komen. Twee edities die overigens een grote eeuwigheidswaarde hebben binnen de Portugese literatuur.

Gebukt onder de geldproblemen en zware depressies schreef Sá-Carneiro op 31 maart 1916 een dramatische brief aan Pessoa. "Unless a miracle, next Monday, March (or even the day before), your friend Mário de Sá-Carneiro will take a strong dose of strychnine and disappear from this world".

Uiteindelijk pleegde hij op 26 april 1916 zelfmoord door een grote dosis strychnine naar binnen te werken in het Hôtel de Nice te Montmartre, Parijs.



Zijn literaire invloeden waren onder andere Edgar Allan Poe, Oscar Wilde, Charles Baudelaire, Stéphane Mallarmé, Fyodor Dostoevsky, Cesário Verde en António Nobre.

Álcool

Guilhotinas, pelouros e castelos
Resvalam longemente em procissão;
Volteiam-me crepúsculos amarelos,
Mordidos, doentios de roxidão.

Batem asas de auréola aos meus ouvidos,
Grifam-me sons de cor e de perfumes,
Ferem-me os olhos turbilhões de gumes,
Descem-me a alma, sangram-me os sentidos.

Respiro-me no ar que ao longe vem,
Da luz que me ilumina participo;
Quero reunir-me, e todo me dissipo ---
Luto, estrebucho... Em vão! Silvo pra além...

Corro em volta de mim sem me encontrar...
Tudo oscila e se abate como espuma...
Um disco de oiro surge a voltear...
Fecho os meus olhos com pavor da bruma...

Que droga foi a que me inoculei?
Ópio de inferno em vez de paraíso?...
Que sortilégio a mim próprio lancei?
Como é que em dor genial eu me eternizo?

Nem ópio nem morfina. O que me ardeu,
Foi álcool mais raro e penetrante:
É só de mim que ando delirante ---
Manhã tão forte que me anoiteceu.

dinsdag 25 mei 2010

Vasile Carlova, Roemenie (1809 - 1831)



Carlova werd op 4 februari 1809 te Buzau geboren, als zoon van een oude familie van landeigenaren in Targoviste. Zijn ouders stierven toen hij nog jong was, zodat hij vanaf 1816 werd opgevoed door een tante in Craiova

Er zijn slechts vijf gedichten van hem bekend, hoewel dat genoeg is gebleken om hem te scharen onder de beste Roemeense dichters van zijn tijd - jammer genoeg ben ik vooralsnog geen gedichten (in vertaling) van hem tegengekomen. Enkel de titels en enige door anderen meegegeven karakteristieken.

1827 Pastorul intristat (De trieste schaapsherder)
1828 Ruinurile Targovistei (De Ruines van Targoviste - een gedicht dat bolstaat van het patriotisme)
1828 Rugacuinea (Gebed)
1829 Inserare (Nachtval)
1830/31 Marsul Romanilor (De Roemeense Mars - Een gedicht dat zwaar gecensureerd werd en enkel op losse vellen verspreid werd, maar desondanks of juist daarom beschouwd wordt als zijnde zijn beste werk)

In 1830 deed hij zijn intrede in een recent opgerichte Nationale Militie (voorloper van het hedendaagse Roemeense leger). Hij staat te boek als de 33e vrijwilliger die zich aan wist te melden. Op 18 september 1831 overleed hij op 22 jarige leeftijd in een legerkamp aan de gevolgen van een infectieziekte.

Ruinurile Târgoviştei

O, ziduri întristate! O, monument slăvit!
În ce mărime naltă şi voi aţi strălucit,
Pă când un soare dulce şi mult mai fericit
Îşi răvărsa lumina p-acest pământ robit!
Dar în sfârşit Saturnu, cum i s-a dat de sus,
În negura uitării îndată v-a supus.
Ce jale vă coprinde! Cum totul v-a pierit!
Subt osândirea soartei de tot aţi înnegrit!
Din slava strămoşască nimic nu v-a rămas.
Oriunde nu se vede nici urma unui pas.
Ş-în vreme ce odată oricare muritor
Privea la voi cu râvnă, cu ochiu-aţintător,
Acum de spaimă multă se trage înapoi
Îndată ce privirea îi cade drept pe voi...
Dar încă, ziduri triste, aveţi un ce plăcut,
Când ochiul vă priveşte în liniştit minut:
De milă îl pătrundeţi, de gânduri îl uimiţi.
Voi încă în fiinţă drept pildă ne slujiţi
Cum cele mai slăvite şi cu temei de fier
A omenirei fapte din faţa lumei pier;
Cum toate se răpune ca urma îndărăt,
Pe aripile vremii de nu se mai arăt;
Cum omul, când să fie în toate săvârşit,
Pe negândite, cade sau piere în sfârşit.
Eu unul, în credinţă, mai mult mă mulţumesc
A voastră dărămare pe gânduri să privesc,
Decât zidire naltă, decât palat frumos,
Cu strălucire multă, dar fără un folos,
Ş-întocmai cum păstorul ce umblă pre câmpii,
La adăpost aleargă când vede vijălii,
Aşa şi eu acuma, în viscol de dureri,
La voi spre uşurinţă cu triste viu păreri.
Nici muzelor cântare, nici milă voi din cer,
O Patrie a plânge cu multă jale cer.
La voi, la voi nădejde eu am de ajutor;
Voi sunteţi de cuvinte şi de idei izvor.
Când zgomotul de ziuă înceată preste tot,
Când noaptea atmosfera întunecă de tot,
Când omul de necazuri, de trude ostenit
În liniştirea nopţii se află adormit,
Eu nici atunci de gânduri odihnă neavând,
La voi fără sfială viu singur lăcrămând
Şi de vederea voastră cea tristă însuflat
A noastră neagră soartă descoper nencetat.
Mă văz lângă mormânt al slavei strămoşeşti
Şi simţ o tânguire de lucruri omeneşti;
Şi mi se pare încă c-auz un jalnic glas
Zicând aceste vorbe: "Ce, vai! a mai rămas,
Când cea mai tare slavă ca umbra a trecut,
Când duhul cel mai slobod cu dânsa a căzut".
..........................
..........................
Acest trist glas, ruinuri, pă mine m-au pătruns
Şi a huli viaţa în stare m-au adus.
..........................
..........................
Deci priimiţi, ruinuri, cât voi vedea pământ,
Să viu spre mângâiere, să plâng pe-acest mormânt,
Unde tiranul încă un pas n-a cutezat,
Căci la vederea voastră se simte spăimântat!

maandag 24 mei 2010

Alec de Candole, Engeland (1897 - 1918)

Alec de Candole werd geboren op 26 januari 1897 te Cheltenham. Opgeleid aan het Marlborough college dat hij echter in 1916 verliet om zich aan te melden voor het leger. Diende in 4th Wiltshire regiment dat in april 1917 te Vlaanderen arriveerde. In oktober van dat jaar raakte hij gewond en keerde terug naar Cheltenham om te herstellen, maar in juli 1918 reisde hij weer af naar België en maakte ditmaal onderdeel uit van het 49th company machinegun corps te Ieper.

Hij sneuvelde op 4 september 1918 tijdens een bombardement te Bonninques.

As one who wanders

As one who wanders on a desert plain.
An arid waste of dead sterility,
Then finds a green oasis suddenly.
And slakes his thirst there, and forgets his pain.
Resting awhile from the long journey's strain
'Neath the cool shade of some o'erarching tree
In full content, and yearneth longingly
In that sweet place for ever to remain ;
So has it been my fortune all this day
Beneath the cloud-flecked blue of heaven's wide dome
To rest in quiet ease, my spirit at home.
All weary care and labour put away.
Free now and happy, ere again I roam,
Once more in void and barren paths to stray.

maandag 17 mei 2010

Iraaks-Koerdische schrijver vermoord na satirisch gedicht

Maandag 17 mei 2010 door Hans Cottyn / De papieren man

Zardasht Osman, een 23-jarige journalist en student, is in Erbil in Iraaks Koerdistan vermoord nadat hij in een gedicht kritiek had geuit op het nepotisme en de corruptie van de president van de Koerdische autonome regio in Irak, Massoud Barzani. Zo meldt The Huffington Post.

Osman werd voor de universiteit waar hij studeerde door onbekenden ontvoerd. Vier dagen later werd hij dood en geboeid teruggevonden. Vrienden en familie van Osman zijn er zeker van dat de moord werd uitgevoerd door de veiligheidstroepen van president Barzani als wraak voor het gedicht dat Osman heeft geschreven. Als gevolg van de moord braken in Erbil felle protesten uit en betogers probeerden het Koerdisch parlement te bestormen.

Osman schreef onder pseudoniem voor verschillende Koerdische websites, onder meer voor het in Zweden gevestigde Kurdistanpost. Het gewraakte gedicht verscheen al in december en de journalist was al enkele keren langs de telefoon bedreigd geweest. Hij studeerde Engels aan de universiteit van Erbil en zou normaal komende juni zijn diploma halen.

zaterdag 15 mei 2010

James Edwin Campbell, USA (1867 - 1895)



James Edwin Campbell werd geboren op 27 juli 1867 te Pomeroy Ohio als zoon van Lethia Stark & James Campbell. Hij studeerde af aan Pomeroy High School in 1884, was onderwijzer in Ohio en maakte deel uit van de Republikeinse politek aldaar.

In 1887 verscheen de gedichtenbundel Driftings & gleanings.

In de periode 1890 - 1894 was hij hoofd van respectievelijk Langston School in Point Pleasant & Collegiate institute Charleston - een agrirische en technische school voor de Afro-Americans. In 1891 was hij getrouwd met Mary Champ, een onderwijzer op één van zijn scholen.

Na zijn verhuizing naar Chicago maakte hij deel uit de redactie van The Times Herald & schreef artikelen en gedichten voor verschillnde periodieken.

Zijn Carriere werd in de kiem gesmoord toen hij op zijn achtentwintigste overleed aan de gevolgen van een longontsteking.

In 1895 verscheen posthuum Echoes from the cabin and elsewhere

COMPENSATION

O, rich young lord, thou ridest by
With looks of high disdain;
It chafes me not thy title high,
Thy blood of oldest strain.
The lady riding at thy side
Is but in name thy promised bride,
Ride on, young lord, ride on!

Her father wills and she obeys,
The custom of her class;
'Tis Land not Love the trothing sways--
For Land he sells his lass.
Her fair white hand, young lord, is thine,
Her soul, proud fool, her soul is mine,
Ride on, young lord, ride on!

No title high my father bore;
The tenant of thy farm,
He left me what I value more:
Clean heart, clear brain, strong arm
And love for bird and beast and bee
And song of lark and hymn of sea,
Ride on, young lord, ride on!

The boundless sky to me belongs,
The paltry acres thine;
The painted beauty sings thy songs,
The lavrock lilts me mine;
The hot-housed orchid blooms for thee,
The gorse and heather bloom for me,
Ride on, young lord, ride on!

zondag 4 april 2010

Gerbrand Adriaensz. Bredero, Nederland (1585 - 1618)



Gerbrand Adriaensz. Bredero (Amsterdam, 16 maart 1585 - aldaar, 23 augustus 1618) was een Nederlands dichter en toneelschrijver en rederijker. Hij was een der grote Nederlandse 17de-eeuwse auteurs.

Bredero was het derde kind van Adriaen Cornelisz. Bredero en Maryghen Gerbrandsd en hij was geboren op 16 maart 1585 in Amsterdam. Het gezin bestond uit 12 kinderen waarvan de meeste jong gestorven zijn.

De naam Bredero is afkomstig van een uithangbord of gevelsteen met de beeltenis van de geuzenjonker Hendrik van Brederode (1531-1568), deze werd in calvinistische kringen vereerd om zijn optreden bij het Verbond der Edelen en bij het zogenaamde smeekschrift. De vader van Bredero was een schoenmaker uit de betere kringen (geen schoenlapper, die behoorden zelfs tot een ander gilde), hij was tevens kapitein bij de schutterij. Later werd hij belastingpachter en kon zich een kleine kunstverzameling veroorloven.

Het huis waarin Bredero geboren werd stond aan de Nes, naast deze woning stond een Vleeshal, waar boven de rederijkerskamer d'Eglantier gevestigd was. In december 1586 kocht Bredero's vader de woning, die zij tot die tijd huurden. In 1602 verhuisden ze naar een pand aan de Oudezijds Voorburgwal, bij de Varkenssluis. Daar heeft de dichter zijn verdere leven gewoond. Bredero was een ras-Amsterdammer, bewust burger en kunstenaar. Dat in een tijd dat de handelsstad snel in welstand, macht en omvang groeide. Amsterdam had deze rol overgenomen van Antwerpen, nadat geleerde en welstellende burgers om religieuze redenen in grote getale Antwerpen hadden verlaten om zich in Amsterdam te gaan vestigen.

Bredero volgde behoorlijk onderwijs, zo leerde hij Frans en sprak hij waarschijnlijk Engels en Latijn. Daarna ging hij in de leer bij de Antwerpse kunstschilder François Badens die in Amsterdam woonde. Het beroep van schilder werd indertijd maatschappelijk erkend, in tegenstelling tot dat van dichter. Er zijn tot nu helaas geen gesigneerde werken van hem bekend. Er wordt aangenomen dat hij rond zijn 20e jaar omging met leden van d'Eglantier, met name de leden van de Brabantse kamer. Daarnaast ging hij om met dichters en schilders in Amsterdam en de directe omgeving daarvan. Vanaf ongeveer 1611 had hij zich een positie verworven als een belangrijk toneelschrijver.

Hij maakte in 1616 kennis met Hugo de Groot, aan hem werd de druk Rodd'rick ende Alphonsus opgedragen. Hij was daarnaast bevriend met P.C. Hooft. Ook volgde hij Samuel Coster, deze richtte de Duytsche Academie op.

Bredero is nooit getrouwd, al blijkt uit zijn romantische gedichten dat vele vrouwen een rol in zijn leven hebben gespeeld. De dichteres Maria Tesselschade Visscher was onder andere een van hen en in de winter van 1617-1618 Magdelena Stockmans. De laatste trouwde later dat jaar met koopman Isaac van der Voort en ging naar Italië. Voor haar werd 'Oogen vol majesteyt' geschreven.

Eind december 1617 zakte Bredero, die per slede terugkeerde van een begrafenis in Haarlem, door het ijs. Mocht dit hem al een ziekte hebben gegeven, dan is hij daarvan snel hersteld, 1618 was voor hem een behoorlijk productief jaar. Hij overleed, getuige de doodsberichten, vrij plotseling, juist toen Holland in politiek opzicht uiterst kritieke dagen beleefde: op 29 augustus vond de arrestatie van Van Oldenbarnevelt en Hugo de Groot plaats. Volgens aantekening gemaakt door Bredero sr. is de dichter begraven `In der Heyliger Stede' (Kalverstraat). De enige beeltenis die van de dichter bekend is, is een gravure die in verschillende uitgaven van zijn werk is afgebeeld, maar ook die is na zijn dood gemaakt. Hij overleed op 23 augustus 1618 in Amsterdam.

De kluchten van Bredero (met name de klucht van de koe en de klucht van de molenaar) zijn nog relatief bekend bij het publiek, daar deze werken nog weleens op scholen en soms ook nog door toneelgroepen (o.a. Theatergezelschap De Kale en toneelstichting Leydse KluchtenCompagnie) opgevoerd worden.
(wikipedia)
---

Maer lieve oogjens Blij
en heught u niet aent wencken
en t'glueren van terzij
en t'loncken tegens mij
soo vriendelijck als vrij
nochtans in Vrijerij
heb ic noeijt willen dencken.

Ghy siet mijn lieffde in
met innerlijck medoogen
ic ken dat ic vriendin
u als mjin Ziel Bemin
doch eer ic meer begin
ghij sluijt mij uit u sin
en Bant mij van u Oogen.

---

George Frederick Cameron, Canada (1854 - 1885)



GEORGE FREDERICK CAMERON werd geboren te New Glasgow, Nova Scotia op 24 septmber 1854 als oudste zoon van James Grant Cameron en Jesse Sutherland. Hij doorliep de middelbare school te New Glasgow, alwaar hij reeds veel tijd besteedde aan het lezen van de klassieken en het schrijven van poëzie, In 1869 vertrok het gezin naaar Boston alwaar hij rechten studeerde. Na zijn studie kreeg hij een betrekking op een advocatenkantoor, maar de literatuur liet hem maar niet met rust. Na verschillende malen gepubliceerd te hebben in verscheidene tijdschriften en kranten begon hij in 1882 aan een studie aan Queens University te Kingston, alwaar hij in het daaropvolgende jaar een prijs won voor het meest originele gedicht. ( Over de studierichting ben ik in de bronnen niets tegengekomen maar het idee dat het wel eens Engelse literatuur geweest zou kunnen zijn lijkt me toch het meest voor de hand liggend.)

In maart 1883 werd hij redacteur van the kingston news, om enkele maanden later (in augustus om precies te zijn) in het huwelijk te treden met Ella Billings Amey. Na een tweetal jaren lang te hebben geleden aan slapeloosheid, bezwijkt hij op 17 september 18855 aan de gevolgen van een hartaanval.

In 1887, stelde Charles J. Cameron, M.A., een bundel samen van zijn broers gedichten (ongeveer 300 pagina's dik) met de titel : Lyrics on Freedom, Love and Death, In het voorwoord benadrukte hij nog even dat dit slechts een vierde zou zijn van diens complete oeuvre.


...

Ah, me! the mighty love that I have borne
To thee, sweet song! A perilous gift was it
My mother gave me that September morn
When sorrow, song, and life were at one altar lit.

A gift more perilous than the priest's: his lore
Is all of books and to his books extends;
And what they see and know he knows–no more,
And with their knowing all his knowing ends.

A gift more perilous than the painter's: he
In his divinest moments only sees
The inhumanities of colour, we
Feel each and all the inhumanities.


Standing on Tiptoe

Standing on tiptoe ever since my youth
Striving to grasp the future just above,
I hold at length the only future–Truth,
And Truth is Love.

I feel as one who being awhile confined
Sees drop to dust about him all his bars:–
The clay grows less, and, leaving it, the mind
Dwells with the stars.


The Way of the World

We sneer and we laugh with the lip–the most of us do it,
Whenever a brother goes down like a weed with the tide;
We point with the finger and say–Oh, we knew it! we knew it!
But, see! we are better than he was, and we will abide.

He walked in the way of his will–the way of desire,
In the Appian way of his will without ever a bend;
He walked in it long, but it led him at last to the mire,–
But we who are stronger will stand and endure to the end.

His thoughts were all visions–all fabulous visions of flowers,
Of bird and of song and of soul which is only a song;
His eyes looked all at the stars in the firmament, ours
Were fixed on the earth at our feet, so we stand and are strong.

He hated the sight and the sound and the sob of the city;
He sought for his peace in the wood and the musical wave;
He fell, and we pity him never, and why should we pity–
Yea, why should we mourn for him–we who still stand, who are brave?

Thus speak we and think not, we censure unheeding, unknowing,–
Unkindly and blindly we utter the words of the brain;
We see not the goal of our brother, we see but his going,
And sneer at his fall if he fall, and laugh at his pain.

Ah, me! the sight of the sod on the coffin lid,
And the sound, and the sob, and the sigh of it as it falls!
Ah, me! the beautiful face forever hid
By four wild walls!

You hold it a matter for self-gratulation and praise
To have thrust to the dust to have trod on a heart that was true,–
To have ruined it there in the beauty and bloom of its days?
Very well! There is somewhere a Nemesis waiting for you.