zondag 3 oktober 2010

John Keegan Casey, Ierland (1846-1870)



John Keegan Casey werd geboren in Milltown, County Westmeath als zoon van een onderwijzer op het hoogtepunt van de grote hongersnood in 1846. Acht jaar later verhuisde het gezin naar Gurteen, nabij Ballymahon in County Longford, alwaar zijn vader hoofd werd van de lokale school.

Als tiener werkte hij als assistent van zijn vader. Er werd dan ook aangenomen dat hij zelf ook onderwijzer zou worden, maar duidelijk teleurgesteld door het ontbreken van een nationalistisch karakter in de aangeboden lesmaterialen, zag hij daar vanaf en wijdde zich liever aan het schrijven van poëzie.

Het was in deze periode dat hij zijn bekendste werk schreef, The rising of the moon over de Ierse opstand in 1798. Casey was amper vijftien toen hij het schreef.

Rising of the moon

"Tell me, tell me, Sean O'Farrell, tell me why you hurry so?"
"Hush me bhuachail, hush and listen," and his face was all aglow
"I bear orders from the captain, get you ready quick and soon
With your pike upon your shoulder for the rising of the moon"

"Tell me, tell me, Sean O'Farrell, where the gatherin' is to be?"
"Near the old spot by the river, right well known to you and me"
"One more thing, the signal token?" "Whistle up the marching tune
For our pikes must be together by the rising of the moon"

Out from many a mud-walled cabin, eyes were lookin' through the
night
Many a manly heart was throbin' for the blessed morning light
A cry arose along the river, like some banshee's mournful croon
And a thousand pikes were flashing by the rising of the moon

All along the shining river one black mass of men was seen
And above them in the night wind floated our immortal green
Death to every foe and traitor. Onward, strike the marching tune
And hurrah me boys for freedom, it's the rising of the moon

Well they fought for dear old Ireland, and full bitter was their fate,
Oh what glorious pride and sorrow fills the name of ninety-eight.
But thank God e'en now are beating hearts in mankind's burning noon,
Who will follow in their footsteps, at the rising of the moon.

(dit is slechts één van de versies die ik tegenkwam)





Toen zijn werk steeds populairder werd vertrok hij naar Dublin alwaar hij een actieve rol begon te spelen binnen de Fennian beweging. Daarnaast schreef hij veelvuldig voor The Nation onder het pseudoniem Leo

In 1866, publiceerde hij de bundel A Wreath of Shamrock. De meeste gedichten die daarin waren opgenomen verschenen eerder in onder andere The Nation. Naar gelang het boek bekender werd, werd hij ook steeds vaker gevraagd als spreker voor grote bijeenkomsten in Dublin, Londen & Liverpool. Dit alles in aanloop naar de grote opstand

Toen de opstand echter werd neergeslagen door de Engelsen, werd Casey zonder enige vorm van proces gevangen gezet en zat hij acht maanden in Mountjoy Prison te Dublin. Hij werd weer vrijgelaten in de veronderstelling dat hij zou vertrekken naar Australie, maar daar dacht Casey duidelijk anders over en dook onder in Dublin, alwaar hij in het geheim verder ging met het schrijven en publiceren van zijn werk.

Het verblijf in de gevangenis had zijn gezondheid echter geen goed gedaan, en hij overleed twee jaar later op 17 maart 1870 aan de gevolgen van Tuberculose. Maar niet nadat hij ij 1869 nog een tweede bundel getiteld : "The rising of the moon" het licht had laten zien.
Hij werd begraven op Glasnevin Cemetery. Volgens de kranten zouden tussen de 50 en 100.000 belangstellenden zijn afscheid hebben bijgewoond.

zaterdag 2 oktober 2010

Julian del Casal. Cuba (1863 - 1893)




Jose Julian Herculano del Casal y de la Lastra werd geboren op 7 november 1863 te Havana, Cuba als zoon van een Spaanse moeder en een Cubaanse vader. Casal's moeder overleed toen hij slechts vijf jaar oud was. Een gebeurtenis die de jongen voor het leven zou tekenen. Het feit dat zijn vader nooit thuis gaf op het gebied van verlenen van enige emotionele steun maakte het er niet beter op. Waarmee de thema's angst en eenzaamheid in zijn poëzie al snel verklaard lijken.

Julian werd al snel door zijn vader naar een kostschool te Belén gestuurd alwaar hij zou afstuderen in 1879. Daarna volgde nog een studie rechten aan de universiteit te Havana. Maar na een jaar had hij dat ook wel gezien en accepteerde een functie bij het ministerie van Financiën in de Cubaanse hoofdstad. Gedurende deze periode begon hij artikelen te schrijven voor La Habana Elebante, maar naar aanleiding van een pittige column over de Gouverneur Generaal van Havana werd hij ontslagen.

Hij vertrok naar Spanje om zich voor even aan alle commotie te onttrekken, maar kwam daar al snel zonder geld te zitten en keerde na enkele weken al weer terug naar Cuba, waar hij de journalistieke pen weer oppakte en verschillende kranten begon te voorzien van de nodige kopij.
Maar zijn geestelijke gemoedtoestand werd al snel een te groot obstakel zodat hij zijn baan opzegde en zich steeds meer terugtrok uit het sociale leven, zich beperkend tot de contacten met enkele vrienden. Daarentegen onderhield hij wel veel correspondenties met dichters en andere intellectuelen buiten Cuba, zoals Ruben Dario en Gustave Moreau.

Hoewel del Casal al langer poëzie schreef, zouden de eerste gedichten pas na de dood van zijn vader in 1885 gepubliceerd worden. Eerst in verschillende periodieken zoals La Habana Elegante & El Figaro. Zijn eerste bundel Hojas al viento verscheen in 1890, gevolgd door Nieve (1892) & Busros Y rimas (1893). Daarnaast publiceerde hij onder andere vertalingen van Baudelaire.

Na verschillende jaren geplaagd te zijn door de Tuberculose overleed hij in oktober 1893 op 29-jarige leeftijd. Kort voor het verschijnen van zijn derde bundel.

Flowers

my heart was a crystal vase
and in solitude fragrant grew there
under the starlight, a lily white -
it was a prayer
like a virgin anaemic and pale
all withered this flower i see
now in my heart grows a purple bay rose
it's blasphemy

© Julian del Casal - vertaald door ?

donderdag 23 september 2010

Pieter Bogaers, Nederland (1805-1833)



Pieter Henricus Bogaers werd geboren op 6 maart 1805 te Helmond als zoon van Henricus Peter Bogaers (1772-1857) & Maria Catharina Sanders (1775-1858). In totaal telde het gelovige gezin 6 kinderen. waarvan Pieter de op één na oudste was. Een van zijn jongere broers zou later priester worden in het bisdom van 's Hertogenbosch.

Hij studeerde in het Duitse Kempen om daarna te vertrekken naar Antwerpen, alwaar hij zich bekwaamde in de handel, zijn vader was immers linnenfabrikant. Teruggekeerd in Helmond ontwikkelde hij een innige vriendschap met de leerlooier Adam Swinkels, die op 26 maart 1832 op 34 jarige leeftijd overleed aan, zoals de bronnen vermelden, ene teringziekte.

Hierover schreef hij het onderstaade gedicht:

Bij het afsterven mijns Boezemvriends

Hij is voor mij niet meer ! ... wat slag kan harder treffen?...
Wie vriend en troost verliest kan slechts dien slag beseffen
't Onschuldig kindertal, de troostelozze vrouw
Beweenen 't voorwep ook van hunne liefde en trouw.

Het denken aan mijn vriend kon me immers 't hart doen gloeijen
En nu, nu doet het ach! slechts mijn tranen vloeijen
Vergeef O God! vergeef dit menschelijk gevoel:
Gij duldt dit stil verdriet, want liefde was uw doel.

Wij kunnen niet meer zijn waar we eertijds zamen waren:
'k Behoef voortaan niet meer naar 't vreedzaam oord te staren,
Waar eens gesloten wierd 't vriendschappelijk verbond:
Het was op reine deugd en beider trouw gegrond.

Zoo, zijt gij, Swinkels, dan dit tranendal ontweken
Mij baat geen bange zucht, geen eindloos tranen-leken
Zij dringen niet in 't graf, dat tyhans uw ligchaam dekt,
Gij wordt door droefheid niet ten leven opgewekt.

't Helpt niets, al werp ik mij op uw grafstee neder!
Gij ziet mijn rouwe niet. Ik zie u nimmer weder.
Ach kondet gij nog eens het oog slaan naar deze aard,
Die mij zoo doornig werd toen gij er niet meer waart!

O God, versterk mijn geest en stort mij troost in 't harte,
Verzacht mijn knagend leed. Ach! lenig mijne smarte .
Verloren is hij niet, die vader, man en vriend,
Die werkzaam leefde en God zoo ijvrig heeft gediend.

Ik zag hem hier op aarde en christelijk leven leiden:
Waarom dan zoo getreurd bij 't zalige verscheiden,
Nu hij, zoo 'k hoop, reeds deelt den Englen reine vreugd
En 't aanschijn van zijn God hem eindeloos verheugt?

Eens wordt mij na een vroom, arbeidzaam, stichtelijk leven
Dat voorbeeld aller deugd, die vriend teruggegeven.
Ja, wat door dood of tijd vernield wordt of gesloopt,
Geen vriendschapsband door deugd voor eeuwig vast geknoopt.

Een jaar later, doornat van een pelgrimstocht naar Kevelaer thuisgekomen, werd hij aangeklampt door de tyfus en overleed op 13 mei 1833 te Helmond, slechts 28 jaar oud.

maandag 9 augustus 2010

Marshall Carter, USA (1791 - 1820)

Marshall Carter werd geboren in Buckland, Massachussetts maar verhuisde op jonge leeftijd naar Vermont. Studeerde rechten en was onder andere werkzaam in Bennington. Hij overleed op 5 september 1820 0p 29 jarige leeftijd.

Charles Carrau, Frankrijk (1885 - 1916)

publiceerde "Carillion Pascal" in La Binche

sneuvelde op 21 januari 1916 nabij Maison de Champagne

José Eusebio Caro, Colombia (1817-1853)



Caro werd geboren op 5 mei 1817 te Ocana in Colombia.

In 1836 richtte hij samen met Jose Joqauim Ortiz (1814 - 1892) het eerste literaire blad in Colombia op "La Estrella Nacional" In 1849 was hij één van de oprichters van een nieuwe conservatieve politieke partij : de CCP.

Hij wordt gezien als de meest bekende dichter van de Colombiaanse Romantiek.

Hij overleed op 29 januari 1853 te Santa Marta.

Zijn gedichten werden postuum gepubliceerd.

donderdag 22 juli 2010

Mario de Sá-Carneiro. Portugal (1890 - 1916)



19.05.1890 Lissabon
26.04.1916 Parijs

Sá-Carneiro werd geboren op 19 mei 1890 te Lissabon in een rijke familie, met een sterke militaire traditie. Zijn moeder overleed toen Mario twee jaar oud was, waarna hij grotendeels werd opgevoed door zijn grootouders op een boerderij nabij Lissabon. Sá-Carneiro schreef zijn eerste gedichten toen hij een jaar of 12 was. Op zijn zestiende had hij reeds werken vertaald van mannen als Victor Hugo, Johann Wolfgang von Goethe en Friedrich Schiller. Zijn eerste proza schreef hij op de middelbare school, ingegeven door zijn werkzaamheden als acteur. In 1911 vertrok hij naar Coimbra alwaar hij rechten ging studeren. Maar hij zou niet verder komen dan het eerste jaar. In Coimbra ontmoette hij echter wel Fernando Pessoa, met wie hij al snel een hechte vriendschap onderhield. Het was Pessoa, die hem introduceerde bij een groep van modernisten te Lissabon.

Na Coimbra vertrok Sá-Carneiro naar Parijs om te gaan studeren aan het Sorbonne. Hoewel zijn vader stug doorging met het betalen van het lesgeld, stopte Mario al snel met het bezoeken van de colleges. Hij leefde het leven van een bohemian, zijn tijd grotendeels doorbrengend in de theaters en cafe's van de stad, alwaar hij verliefd werd op een prostituee.

Samen met Pessoa en Negreiros schreef hij voor Orpheu, een tijdschrift voor poezie en artistiek proza dat sterk beinvloed werd door de europese Avant-Garde. Het tijdschrift was te futuristisch voor de op dat moment heersende portugese schriftgeleerden en zorgde dan ook voor menig schandaal. De controversie rond het blad en de heersende geldproblemen (zijn vader trok zich terug zorgde ervoor dat er slechts twee edities uit zouden komen. Twee edities die overigens een grote eeuwigheidswaarde hebben binnen de Portugese literatuur.

Gebukt onder de geldproblemen en zware depressies schreef Sá-Carneiro op 31 maart 1916 een dramatische brief aan Pessoa. "Unless a miracle, next Monday, March (or even the day before), your friend Mário de Sá-Carneiro will take a strong dose of strychnine and disappear from this world".

Uiteindelijk pleegde hij op 26 april 1916 zelfmoord door een grote dosis strychnine naar binnen te werken in het Hôtel de Nice te Montmartre, Parijs.



Zijn literaire invloeden waren onder andere Edgar Allan Poe, Oscar Wilde, Charles Baudelaire, Stéphane Mallarmé, Fyodor Dostoevsky, Cesário Verde en António Nobre.

Álcool

Guilhotinas, pelouros e castelos
Resvalam longemente em procissão;
Volteiam-me crepúsculos amarelos,
Mordidos, doentios de roxidão.

Batem asas de auréola aos meus ouvidos,
Grifam-me sons de cor e de perfumes,
Ferem-me os olhos turbilhões de gumes,
Descem-me a alma, sangram-me os sentidos.

Respiro-me no ar que ao longe vem,
Da luz que me ilumina participo;
Quero reunir-me, e todo me dissipo ---
Luto, estrebucho... Em vão! Silvo pra além...

Corro em volta de mim sem me encontrar...
Tudo oscila e se abate como espuma...
Um disco de oiro surge a voltear...
Fecho os meus olhos com pavor da bruma...

Que droga foi a que me inoculei?
Ópio de inferno em vez de paraíso?...
Que sortilégio a mim próprio lancei?
Como é que em dor genial eu me eternizo?

Nem ópio nem morfina. O que me ardeu,
Foi álcool mais raro e penetrante:
É só de mim que ando delirante ---
Manhã tão forte que me anoiteceu.